Rb. Rotterdam 17 september 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:12126
Voorlopige voorziening. Afwijzing aanvraag voor opvang op grond van de WMO. Zelfredzaamheid. Artikel 8 EVRM. Verzoek afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/7098
uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 september 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , zonder vaste woon- of verblijfplaats, verzoekster
(gemachtigde: mr. T. Sleeman),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college
(gemachtigden: mr. R. Weggemans en mr. J.C. Avedissian).
Samenvatting
1 Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster voor toegang tot de maatschappelijke opvang. Verzoekster is het hier niet mee eens. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om voorlopige voorziening af. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college kunnen besluiten dat verzoekster zelfredzaam is. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2 Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor toegang tot de maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 6 augustus 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1 Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2 De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 september 2026 op zitting behandeld, gelijktijdig met het verzoek om voorlopige voorziening van de zus van verzoekster [de zus] (ROT 26/7099). Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, de zus van verzoekster [de zus] , de moeder van verzoekster [de moeder] en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat deze zaak over?
3 Verzoekster heeft zich op 6 augustus 2026 gemeld voor toegang tot de maatschappelijke opvang. Het college heeft de aanvraag tot toegang tot de maatschappelijke opvang met het bestreden besluit afgewezen. Het college acht verzoekster in staat zich op eigen kracht, met gebruikelijke voorzieningen, met mantelzorg en met hulp vanuit haar sociale netwerk te handhaven in de samenleving. Verzoekster komt daarom niet in aanmerking voor maatschappelijke opvang.
4 Verzoekster is het niet eens met de afwijzing. Zij voert aan dat zij onvoldoende zelfredzaam is en op dit moment niet in staat is om zelfstandig haar leven en huishouden op orde te krijgen. Zo is zij bijvoorbeeld het aanvragen van een zorgverzekering en zorgtoeslag vergeten. De ondersteuning die [hulpinstantie] kan bieden op het gebied van GGZ, praktische regelzaken en het zoeken van een woning zal onvoldoende zijn als verzoekster geen opvang heeft. Daarnaast is het voor verzoekster onbegrijpelijk waarom haar moeder en minderjarige broers en zussen wel zijn toegelaten tot de maatschappelijke opvang. Het verschil tussen de gezinsleden is onvoldoende gemotiveerd. Het recht op gezinsleven, zoals dat is opgenomen in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), wordt geraakt.
Heeft verzoekster een spoedeisend belang?
5 Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor de beslissing op het bezwaar of het beroep niet kan worden afgewacht.
6 Verzoekster heeft op dit moment geen vaste woon- of verblijfplaats. De moeder van verzoekster heeft voor haar een hotelkamer bekostigd tot en met de dag van de zitting. Hierna kon de moeder van verzoekster dit niet meer bekostigen, waardoor verzoekster geen slaapplek heeft. De voorzieningenrechter ziet in deze omstandigheden voldoende spoedeisend belang om het verzoek om voorlopige voorziening inhoudelijk te beoordelen.
Wat vindt de voorzieningenrechter van de zaak?
Zelfredzaamheid
7 Voor een recht op maatschappelijke opvang is bepalend of verzoekster in staat is zich te handhaven in de samenleving. Verzoekster kan pas aanspraak maken op maatschappelijke opvang als zij geen onderdak heeft door de problemen die zij ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving. In zo’n geval is iemand niet zelfredzaam. Als een zelfredzaam iemand een woning krijgt, dan zijn de problemen van die persoon daarmee ook opgelost. Bij iemand die niet zelfredzaam is, is dat niet het geval. De persoon die niet zelfredzaam is, zal ondanks het krijgen van een woning nog steeds geholpen moeten worden om zijn dagelijks leven te organiseren. Om die reden wordt bij maatschappelijke opvang het verlenen van opvang dan ook gekoppeld aan een hulptraject.
8 Gelet op het dossier en wat op de zitting is besproken, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college de toegang tot de maatschappelijke opvang in het geval van verzoekster heeft mogen afwijzen omdat zij zelfredzaam is. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van het college dat hier vooral sprake is van een huisvestingsprobleem, waarvoor maatschappelijke opvang niet is bedoeld. Dat verzoekster op dit moment geen onderdak heeft, is onvoldoende om tot de conclusie te komen dat verzoekster niet in staat is zich te handhaven in de samenleving. In het formulier ‘Toelichting Onderzoek en Besluit op Maatschappelijke Opvang’ heeft het college de intake van verzoekster opgenomen. Uit het formulier blijkt dat verzoekster heeft verklaard dat zij om de twee dagen op woningen reageert bij Woonnet Rijnmond. Ook volgt verzoekster een opleiding en werkt zij bij de Albert Heijn als kassière. Op de zitting heeft verzoekster bevestigd dat haar inkomen bestaat uit loon van haar baan en uit studiefinanciering. Over haar geestelijke gezondheid heeft verzoekster bij de intake aangegeven dat zij zich op dit moment stabiel voelt. De voorzieningenrechter begrijpt dat de situatie voor verzoekster moeilijk is nu zij geen woonruimte heeft. Uit de persoonlijke omstandigheden van verzoekster blijkt echter niet dat zij niet in staat kan worden geacht zich te handhaven in de samenleving. Verzoekster heeft een baan, een studie en reageert op woonruimte. Bij het regelen van verdere praktische zaken, zoals het aanvullen van haar inkomen naar het bestaansminimum, kan verzoekster praktische hulp krijgen bij de daarvoor bestemde instanties, zoals [hulpinstantie] , het jongerenloket of het wijkteam. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat verzoekster met hulp van deze instanties haar leven niet verder zou kunnen organiseren. De voorzieningenrechter neemt daarbij mee dat ook niet is gebleken dat de situatie van verzoekster dermate verschilt van andere jongvolwassenen die hun weg in de samenleving dienen te vinden.
Artikel 8 van het EVRM
9 De voorzieningenrechter stelt voorop dat uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 18 januari 2001 volgt dat artikel 8 van het EVRM geen recht op woonruimte garandeert. Artikel 8 van het EVRM heeft als doel het individu te beschermen tegen willekeurige inbreuken door de overheid op het recht op eerbiediging van het privéleven en familie- en gezinsleven. Aan het effectief respecteren daarvan kunnen positieve verplichtingen voor de overheid zijn verbonden. In dat verband moet, in zaken als deze, worden beoordeeld of in het besluit om geen opvang op grond van de Wmo te verstrekken een juist evenwicht is bereikt tussen de belangen van het individu om toegelaten te worden tot die opvang en de publieke belangen die betrokken zijn bij het niet verstrekken van die opvang. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming. Verder is hierbij van belang dat bij de besteding van publieke middelen aan de verdragsstaat een ruime “margin of appreciation” (beoordelingsruimte) toekomt.
10 Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter doen zich in het geval van verzoekster zich geen feiten of omstandigheden voor waaruit een positieve verplichting tot het verstrekken van maatschappelijke opvang voortvloeit. Hiervoor is overwogen dat van verzoekster kan worden gezegd dat zij zich kan handhaven in de samenleving. Daarbij moet meegewogen worden dat in de opvang slechts een beperkt aantal plaatsen beschikbaar is. Dit betekent dat het verstrekken van opvang aan verzoekster tot gevolg heeft dat andere personen, die niet in staat zijn zichzelf in de samenleving te handhaven, geen gebruik kunnen maken van deze opvang. Onder deze omstandigheden kan daarom niet in redelijkheid worden gezegd dat het niet verstrekken van een maatwerkvoorziening bestaande uit opvang geen blijk geeft van een ‘fair balance’ tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de opvang op grond van de Wmo en de particuliere belangen van verzoekster om wel toegang te krijgen tot deze opvang. De voorzieningenrechter weegt daarbij ook mee dat niet is gebleken dat verzoekster zodanig afhankelijk is van haar moeder, dat zij daardoor bij moeder en haar minderjarige broers en/of zussen opgevangen moet worden in de maatschappelijke opvang. Voor zover kan worden aangenomen dat verzoekster een gezinsleven heeft zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM met haar moeder en andere broers en/of zussen, levert het van elkaar gescheiden leven geen automatische inbreuk op dit gezinsleven op. Het contact tussen de gezinsleden wordt immers niet verhinderd.
Conclusie en gevolgen
11 De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het college verzoekster niet hoeft toe te laten tot de maatschappelijke opvang. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2026.
De griffier is verhinderd te tekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: