Rb. Rotterdam 10 september 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:11738
Einduitspraak na tussenbeschikking. Verklaring voor recht over uitleg en toepassing indexatieafspraak tussen werkgever en ondernemingsraad. Werkgever wordt veroordeeld om voldoende financiering beschikbaar te stellen aan het pensioenfonds om een aanvullende indexatie te kunnen verlenen. Zie ook ECLI:NL:RBROT:2026:5176 (tussenbeschikking) Zie ook ECLI:NL:RBROT:2026:12500
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11948529 VZ VERZ 25-6741
datum uitspraak: 10 september 2026
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
de ondernemingsraad van ExxonMobil in Nederland ,
vestigingsplaats: Rotterdam ,
verzoekster,
vertegenwoordigd door zijn voorzitter de heer [persoon A] ,
gemachtigden: mr. D. Schwartz en mr. L.J.M. van Westerlaak,
tegen
ESSO Nederland B.V. en ExxonMobil Chemical Holland B.V. ,
vestigingsplaats: Rotterdam ,
verweerster,
gemachtigde: mr. E. Lutjens.
De partijen worden hierna ‘de ondernemingsraad’ en ‘ ExxonMobil ’ genoemd.
1 De procedure
1.1 Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de tussenbeschikking van 4 mei 2026 en de daarin genoemde stukken;
de akte van de ondernemingsraad;
de akte van ExxonMobil .
2 De beoordeling
2.1 In de tussenbeschikking van 4 mei 2026 staat wat de kantonrechter (voorlopig) van de zaak vindt. Partijen hebben daarna allebei een akte genomen. De ondernemingsraad heeft zijn verzoek onder IV gewijzigd en verzoekt de kantonrechter om ExxonMobil te veroordelen om voldoende financiering beschikbaar te stellen, zodanig dat het bestuur van het pensioenfonds een aanvullende indexatie kan verlenen van:
primair: 7% per 1 mei 2024 en 0,86% per 1 mei 2025;
subsidiair: 7% per 1 oktober 2026;
en meer subsidiair: een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen percentage waarmee recht wordt gedaan aan de door partijen gemaakte afspraak, op straffe van een dwangsom.
ExxonMobil vindt nog steeds dat de verzoeken moeten worden afgewezen. De kantonrechter beslist dat de verzoeken van de ondernemingsraad grotendeels worden toegewezen. Hierna wordt uitgelegd wat de kantonrechter beslist en waarom.
De (gewijzigde) verzoeken van de ondernemingsraad
2.2 De ondernemingsraad wil dat de kantonrechter:
(I) voor recht verklaart dat de indexatieafspraak zo moet worden uitgelegd dat in ieder geval moet worden geïndexeerd strevend naar een verhoging met 90% van de stijging van de afgeleide CPI, althans zodanig dat de ontwikkelingen van de pensioenen niet uit de pas gaan lopen met de ambitie en dat het aanvullende deel van de indexatieregeling bedoeld is om bij te sturen in situaties waarin bij enkele toepassing van het ‘formuledeel’ de ambitie van 90% niet gehaald dreigt te worden;
(II) voor recht verklaart dat ExxonMobil niet zonder nadere motivering kan afzien van toepassing van het aanvullende deel van de indexatieregeling en
(III) voor recht verklaart dat ExxonMobil , door dat in de jaren 2021 tot en met 2024 toch te doen, in strijd heeft gehandeld met het goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW);
(IV) ExxonMobil veroordeelt om voldoende financiering beschikbaar te stellen, zodanig dat het bestuur van het pensioenfonds over kan gaan tot
primair: een aanvullende indexatie van 7% per 1 mei 2024 en per 1 mei 2025 0,86%, subsidiair: een aanvullende indexatie van 7% per 1 oktober 2026, en
meer subsidiair: een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen percentage waarmee recht wordt gedaan aan de door partijen gemaakte afspraak, op straffe van een dwangsom van € 1.000.000,- per dag dat ExxonMobil na betekening in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen.
Het verzoek onder I
2.3 De kantonrechter zal voor recht verklaren dat de tussen partijen gemaakte indexatieafspraak zo moet worden uitgelegd dat ExxonMobil zich heeft verbonden te streven naar een indexatie van 90% van de stijging van de afgeleide CPI, gemaximeerd op de loonsverhoging van de actieven (‘het formuledeel’), althans zodanig te indexeren dat de ontwikkelingen van de pensioenen niet uit de pas gaan lopen met de ambitie. Het ‘aanvullende deel’ van de indexatieregeling is bedoeld om, als er bijzondere omstandigheden zijn waardoor de indexatie-ambitie door toepassing van het ‘formuledeel’ niet gehaald dreigt te worden, bij te sturen.
2.4 De kantonrechter heeft in de tussenbeschikking uitgelegd waarom de indexatie-afspraak op deze manier moet worden uitgelegd. Wat ExxonMobil in de akte aanvoert is grotendeels een herhaling van zetten en is voor de kantonrechter geen reden om terug te komen van wat in de tussenbeschikking al is overwogen en beslist over het voorwaardelijke/discretionaire karakter van de indexatie-afspraak.
2.5 Deze verklaring voor recht is voor wat betreft de bedoeling van het aanvullende deel iets anders dan de ondernemingsraad heeft gevraagd. Naar het oordeel van de kantonrechter is het aanvullende deel namelijk niet bedoeld om in alle situaties waarin bij enkele toepassing van het ‘formuledeel’ de ambitie van 90% niet gehaald dreigt te worden, bij te sturen. Dit is alleen aan de orde als sprake is van bijzondere omstandigheden. Dat onderschrijft de ondernemingsraad overigens zelf ook in het verzoekschrift.
Het verzoek onder II
2.6 De kantonrechter zal voor recht verklaren dat als er bijzondere omstandigheden zijn waardoor de indexatie-ambitie door toepassing van het ‘formuledeel’ niet gehaald dreigt te worden, ExxonMobil niet zonder nadere motivering kan afzien van toepassing van het aanvullende deel van de indexatieregeling. De kantonrechter komt hiermee terug van wat hierover in de tussenbeschikking is overwogen. Daarin staat namelijk dat de verklaring voor recht niet toewijsbaar is, omdat de afspraak over het ter beschikking stellen van aanvullende compensatie niet zo ‘hard’ is, dat hieruit moet volgen dat die aanvullende compensatie zou moeten leiden tot volledige indexatie conform de ambitie. De kantonrechter is bij de verdere beoordeling van de zaak tot het inzicht gekomen dat dit eerdere tussenoordeel op deze manier genuanceerd moet worden. ExxonMobil moet dus als sprake is van zulke bijzondere omstandigheden, deugdelijk uitleggen waarom zij het aanvullende deel niet toepast. Dat betekent niet dat ExxonMobil altijd een indexatie van 90% van de stijging van de afgeleide CPI moet geven. Het toewijzen van deze verklaring voor recht strookt ook met het oordeel in de tussenbeschikking dat het zonder deugdelijke motivering niet toepassen van het aanvullende deel in strijd is met de afspraak tussen partijen en met het goed werkgeverschap.
Het verzoek onder III
2.7 De kantonrechter zal voor recht verklaren dat ExxonMobil , door in de jaren 2021 tot en met 2024 zonder nadere motivering het aanvullende deel niet toe te passen, in strijd heeft gehandeld met het goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW).
2.8 In de tussenbeschikking is deze beslissing al uitgelegd. Ook hiervoor geldt dat wat ExxonMobil in de akte aanvoert grotendeels een herhaling is van wat zij eerder heeft aangevoerd en voor de kantonrechter geen reden is om terug te komen van wat hierover in de tussenbeschikking is overwogen en beslist. ExxonMobil zegt dat zij een weging heeft gemaakt tussen indexering en continuïteit en werkgelegenheid op lange termijn. Maar dat is geen toerekende motivering om te verklaren waarom ExxonMobil ten aanzien van de indexatie heeft gehandeld zoals zij heeft gedaan. Ook niet als wordt meegewogen dat de onderneming ‘mede vanuit concurrentieoverwegingen niet het achterste van haar tong kan laten zien’. Van ExxonMobil mag verwacht worden dat zij met (meer) onderbouwing komt waaruit blijkt dat de continuïteit en werkgelegenheid in de knel komen als ExxonMobil een aanvullende indexatie zou toekennen. Dat heeft ExxonMobil niet gedaan. Dat de Pensioenraad binnen het pensioenfonds telkens heeft ingestemd met de door ExxonMobil toegekende indexering is naar het oordeel van de kantonrechter niet relevant. De kantonrechter heeft al overwogen dat ExxonMobil het aanvullende deel had moeten toepassen en komt daar niet van terug. Ook de andere argumenten van ExxonMobil zijn geen reden om het eerdere oordeel te herzien.
Het verzoek onder IV
2.9 De kantonrechter veroordeelt ExxonMobil om voldoende financiering beschikbaar te stellen, zodanig dat het bestuur van het pensioenfonds kan overgaan tot een aanvullende indexatie van 5,82% per 1 oktober 2026. Dit percentage is gebaseerd op de volgende overwegingen.
2.10 Aan de indexatie-verplichting die in de gegeven omstandigheden voortvloeit uit het goed werkgeverschap en de in december 2005 gemaakte afspraak, is naar het oordeel van de kantonrechter geen exact prijskaartje te hangen. In de tussenbeslissing is geoordeeld dat het moet gaan om een redelijke compensatie. De primaire verzoeken (7% per 1 mei 2024 en 0,86% per 1 mei 2025) en subsidiaire (7% per 1 oktober 2026) zijn in ieder geval niet toewijsbaar. Zoals de kantonrechter in de tussenbeschikking heeft geoordeeld, vindt zij weliswaar dat ExxonMobil toepassing had moeten geven aan de afspraak over het aanvullende deel, om daarmee tenminste een deel van de gemiste indexatie voor de gepensioneerden te compenseren, maar hiermee is nog niet gezegd dat ExxonMobil gehouden was om in de gegeven situatie de gepensioneerden volledig te compenseren voor de gemiste indexaties over de jaren 2021 tot en met 2024. De actieven hebben immers ook als rekening wordt gehouden met de loonsverhoging van 2024, per saldo over de genoemde jaren ook geen loonsverhogingen gekregen ter hoogte van 90% van de stijging van de afgeleide CPI. Bovendien is de afspraak over het ter beschikking stellen van aanvullende compensatie niet zo ‘hard’, dat hieruit moet volgen dat die aanvullende compensatie zou moeten leiden tot volledige indexatie conform de ambitie van 90% van de stijging van de afgeleide CPI. Wat partijen in de aktes hebben aangevoerd, is voor de kantonrechter geen reden om van dit oordeel terug te komen. De primaire en subsidiaire verzoeken van de ondernemingsraad die zijn gebaseerd op een (bijna) volledige compensatie van de gemiste indexatie (het tekort van 7,86% over de jaren 2021-2024), zijn daarom niet toewijsbaar. Dat de ondernemingsraad de gevraagde percentages niet met terugwerkende kracht over de periode 2021-2024 vraagt, maakt dit oordeel niet anders.
2.11 De kantonrechter vindt het redelijk om voor de hoogte van de compensatie aansluiting te zoeken bij de manier waarop ExxonMobil in 2011 het aanvullende deel heeft toegepast. Dat was het enige jaar waarin bij toepassing van het ‘formuledeel’ de ambitie van 90% ook niet gehaald werd. Omdat de lonen niet werden verhoogd, zou er in 2011 volgens het formuledeel geen indexatie verleend worden, maar ExxonMobil heeft toen alsnog een indexatie verleend van 1,3%. De stijging van de afgeleide CPI was toen 1,95%. Daarmee zou de indexatie (90% hiervan) volgens de ambitie neerkomen op 1,75%. De verleende indexatie van 1,3% komt neer op 74 % van de ambitie van 1,75% (en dus 67% van de stijging van de afgeleide CPI in plaats van 90%). Als deze lijn wordt doorgetrokken naar de huidige indexatieachterstand van 7,86% (ten opzichte van de ambitie van 90%) over de periode 2021-2024, dan leidt dit tot een aanvullende indexatie van 5,82%.
2.12 Naar het oordeel van de kantonrechter is er geen reden om een lagere indexatie toe te kennen dan 5,82%. ExxonMobil voert in haar akte aan dat de indexatie-percentages over de jaren 2021 voor de inactieven niet zouden kloppen. Zij betwist de percentages op zichzelf niet, maar zegt dat deze op onjuiste uitgangspunten zouden zijn gebaseerd (90% van de stijging van de afgeleide CPI). Volgens ExxonMobil zijn op basis van de juiste uitgangspunten (90% stijging van de afgeleide CPI met loonplafond) gewoon de juiste indexaties toegepast. Volgens ExxonMobil is de indexatie-achterstand dus ontstaan door het plafond van de loonruimte en was het terecht dat de discretionaire bevoegdheid niet is toegepast. De kantonrechter volgt dit standpunt niet. In de tussenbeschikking is geoordeeld dat ExxonMobil in de gegeven omstandigheden in de periode 2021 tot en met 2024 het aanvullende deel had moeten toepassen. Omdat ExxonMobil dit niet heeft gedaan, is er sprake van een achterstand. Dat ExxonMobil niet de volledige 90% van de stijging van de afgeleide CPI hoefde toe te kennen, betekent niet dat de indexatie-ambitie niet als uitgangspunt kan dienen voor het berekenen van de achterstand. Het argument van ExxonMobil leidt dan ook niet tot een ander oordeel dan wat in de tussenbeschikking is overwogen en beslist over de uitleg en toepassing van de indexatie-afspraak. ExxonMobil voert aan dat de ondernemingsraad geen rekening houdt met de constatering van CBS dat het door CBS gepresenteerde CPI-cijfer voor 2022 een geflatteerd beeld geeft. Dat is naar het oordeel van de kantonrechter geen reden om een lagere indexatie toe te kennen. Niet gesteld of gebleken is dat ExxonMobil hier zelf rekening mee heeft gehouden bij de toekenning van de forse loonsverhoging aan de actieven in 2024. Er is daarom geen aanleiding om daar bij de inactieven wel rekening mee te houden. ExxonMobil heeft ook onvoldoende onderbouwd dat de financiële situatie van de onderneming zodanig is dat zij geen aanvullende storting kan doen. Dat, zoals ExxonMobil stelt, de met de indexatie gemoeide last ‘niet acceptabel’ zou zijn, omdat de door de OR gevraagde indexatie ruimschoots boven de 100 miljoen is, en dus meer dan de helft van het totale aan indexatie voor inactieven betaalde bedrag in de periode 2021-2025, is bij gebrek aan een nadere financiële onderbouwing onvoldoende om aan te nemen dat de financiële situatie van de onderneming een dergelijke aanvullende storting niet toelaat.
2.13 De indexatie moet worden toegekend per 1 oktober 2026. Daarbij houdt de kantonrechter er rekening mee dat de ondernemingsraad in zijn akte zelf ook aangeeft dat dit praktischer is voor een zo eenvoudig mogelijke uitvoerbaarheid van de toekenning.
Dwangsom
2.14 De kantonrechter zal, zoals gevraagd, aan de veroordeling om financiering beschikbaar te stellen een dwangsom verbinden. Het gaat hier om naleving van een verplichting. Dat die verplichting inhoudt het betalen van een geldsom, staat niet aan het opleggen van een dwangsom in de weg. ExxonMobil moet de financiering namelijk niet aan de ondernemingsraad beschikbaar stellen, maar aan een derde (het pensioenfonds).
De kantonrechter bepaalt dat ExxonMobil de financiering voor de indexatie beschikbaar moet stellen uiterlijk twee maanden nadat het pensioenfonds aan ExxonMobil opgave heeft gedaan van het daarvoor benodigde bedrag. Als ExxonMobil na afloop van deze termijn van twee maanden in gebreke blijft om aan deze verplichting te voldoen, moet zij een dwangsom betalen van € 100.000,- voor iedere dag dat de overtreding na die twee maanden voortduurt, met een maximum van € 1.000.000,-.
De uitvoerbaar bij voorraad verklaring
2.15 De kantonrechter vindt het belang van de gepensioneerden om dit vonnis meteen te kunnen laten uitvoeren zwaarder wegen dan het belang van ExxonMobil dat het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. De kantonrechter laat in het bijzonder meewegen dat de ondernemingsraad onweersproken heeft aangevoerd dat hoe langer de procedure duurt, hoe minder deelnemers nog aanspraak kunnen maken op de indexatie. Vanwege overlijden zullen er namelijk steeds meer deelnemers afvallen. Bovendien zal ExxonMobil via het pensioenfonds eventueel te veel betaalde indexatie kunnen laten verrekenen met toekomstige pensioenuitkeringen, door deze te verlagen of te bevriezen tot het te veel betaalde pensioen is verrekend. Waarom de deelnemers, mocht in hoger beroep of cassatie blijken dat zij ten onrechte een hoger pensioen hebben gekregen, een dergelijke maatregel niet zouden accepteren en ‘daarom een groot aantal procedures in het verschiet ligt’, zoals ExxonMobil stelt, is niet verder toegelicht en naar het oordeel van de kantonrechter dan ook geen argument om de belangenafweging in de onderhavige situatie in het voordeel van ExxonMobil te laten uitvallen. Hetzelfde geldt voor de overige door ExxonMobil aangevoerde argumenten. Daarom wijst de kantonrechter de uitvoerbaar bij voorraad verklaring toe.
Proceskosten
2.16 De kantonrechter ziet geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken. In de wet staat een regeling voor kosten van de ondernemingsraad en bovendien heeft de ondernemingsraad de kantonrechter niet gevraagd om ExxonMobil in de kosten van de procedure te veroordelen.
3 De beslissing
De kantonrechter:
3.1 verklaart voor recht dat de tussen partijen gemaakte indexatieafspraak zo moet worden uitgelegd dat ExxonMobil zich heeft verbonden te streven naar een indexatie van 90% van de stijging van de afgeleide CPI, gemaximeerd op de loonsverhoging van de actieven (‘het formuledeel’), althans zodanig te indexeren dat de ontwikkelingen van de pensioenen niet uit de pas gaan lopen met de ambitie en dat het ‘aanvullende deel’ van de indexatieregeling is bedoeld om, als er bijzondere omstandigheden zijn waardoor de indexatie-ambitie door toepassing van het ‘formuledeel’ niet gehaald dreigt te worden, bij te sturen;
3.2 verklaart voor recht dat als er bijzondere omstandigheden zijn waardoor de indexatie-ambitie door toepassing van het ‘formuledeel’ niet gehaald dreigt te worden, ExxonMobil niet zonder nadere motivering kan afzien van toepassing van het aanvullende deel van de indexatieregeling;
3.3 verklaart voor recht dat ExxonMobil , door in de jaren 2021 tot en met 2024 zonder nadere motivering het aanvullende deel niet toe te passen, in strijd heeft gehandeld met het goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW);
3.4 veroordeelt ExxonMobil om voldoende financiering beschikbaar te stellen, zodanig dat het bestuur van het pensioenfonds kan overgaan tot een aanvullende indexatie van 5,82% per 1 oktober 2026, op straffe van een dwangsom van € 100.000,- per dag, voor elke dag dat ExxonMobil , na twee maanden nadat het pensioenfonds aan ExxonMobil opgave heeft gedaan van het bedrag dat nodig is voor de indexatie, in gebreke blijft de financiering beschikbaar te stellen, met een maximum van € 1.000.000,-;
3.5 wijst al het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. C.J. Frikkee en in het openbaar uitgesproken.
34650