Rb. Rotterdam 2 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:10018
Veroordeling voor het openbaar maken van een visuele weergave van seksuele aard van aangeefster terwijl de veroordeelde wist dat die openbaarmaking nadelig voor haar kon zijn. Vrijspraak van belaging en vernieling. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 190 dagen met aftrek van voorarrest, alsmede een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 3 jaar.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10.220160.25
Parketnummer vordering tenuitvoerlegging (TUL): 10.045718.22
Datum uitspraak: 2 februari 2026
Datum zitting: 19 januari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1983 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] .
Advocaat van de verdachte: mr. A.M.J. Joris
Officier van justitie: mr. B.M. van Heemst
Benadeelde partij: [benadeelde]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. P.R. Hogerbrugge
1 Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat – stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster [slachtoffer] (hierna aangeefster) met het oogmerk haar vrees aan te jagen (feit 1), dat hij een autoband van aangeefster heeft vernield (feit 2) en dat hij de beschikking had over een visuele weergave van seksuele aard van aangeefster, terwijl hij wist dat deze weergave wederrechtelijk was vervaardigd (feit 3 primair), dan wel dat hij een visuele weergave van seksuele aard van aangeefster openbaar heeft gemaakt (feit 3 subsidiair).
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
1
hij in of omstreeks de periode van 21 november 2024 tot en met 29 juli 2025 te
Rotterdam, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] ,
door veelvuldig:
- Whatsapp- en/of Tiktok en/of sms-berichten te sturen naar die [slachtoffer] en/of
- via familie en vrienden contact te zoeken met die [slachtoffer] en/of
- te bellen naar die [slachtoffer] en/of
- met een auto die [slachtoffer] te achtervolgen en/of
- voicemailberichten achter te laten bij die [slachtoffer] en/of
- contact te zoeken met die [slachtoffer] door fake account te gebruiken
- in de straat en/of langs de woning van die [slachtoffer] te rijden en/of
- in de buurt (900 meter) van de woning van die [slachtoffer] een huurhuis te huren en/of
- bij de supermarkt nabij de woning van die [slachtoffer] boodschappen te doen en/of met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
2
hij in of omstreeks de periode van 23 april 2025 tot en met 25 april 2025 te
Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een autoband (Fiat 500), in elk geval enig
goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer] , toebehoorde
heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
3 primair
hij in of omstreeks de periode van 4 maart 2025 tot en met 29 juli 2025 te Rotterdam,
de beschikking had over een visuele weergave van seksuele aard, te weten een foto
en/of een video van een persoon, te weten [slachtoffer] , waarop te zien was dat die
[slachtoffer] oraal bevredigd, terwijl verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden
dat deze visuele weergave door of als gevolg van het opzettelijk en wederrechtelijk
vervaardigen was verkregen;
subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 4 maart 2025 tot en met 29 juli 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, een visuele weergave van seksuele aard, te weten van een persoon, te
weten [slachtoffer] , waarop te zien is dat die [slachtoffer] schaars gekleed is en/of die [slachtoffer] en/of verdachte seksuele handelingen verrichten, openbaar heeft gemaakt, terwijl verdachte wist dat die openbaarmaking nadelig voor die [slachtoffer] kon zijn.
2 Bewijswaardering
2.1 Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten 1 en 3 subsidiair en dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten 2 en 3 primair. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.2 Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1, 2 en 3 primair. De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 3 subsidiair gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.3 Oordeel van de rechtbank
2.3.1 Vrijspraak feit 1 (belaging)
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is van belang wat de bewijsmiddelen inhouden met betrekking tot de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. De kern van artikel 285b Sr bestaat uit de stelselmatige inbreuk op iemands persoonlijke levenssfeer. Stelselmatigheid veronderstelt een herhaling van gedragingen, zoals iemand herhaaldelijk lastigvallen; dit kan door een en dezelfde activiteit, maar dit kan ook gevormd worden door de combinatie van verschillende gedragingen.
De rechtbank stelt op basis van het dossier en de behandeling op zitting vast dat de verdachte en aangeefster in het verleden een relatie hebben gehad. Op 21 november 2024 is de relatie door aangeefster definitief beëindigd. Uit het dossier blijkt dat de verdachte in de ten laste gelegde periode een email en whatsapp berichten naar aangeefster heeft gestuurd, en via anderen geprobeerd heeft contact met haar te krijgen. Daarnaast heeft hij met verschillende socialmedia-accounts op naam van niet bestaande personen vriendschapsverzoeken verstuurd en met deze fake-accounts haar Tiktok-account bekeken. Tevens is gebleken dat hij een aantal keer langs haar huis is gereden en dat hij een huis in de buurt van de woning van aangeefster heeft gehuurd, nadat hij zich op het project had ingeschreven en een woning toegewezen heeft gekregen.
Door aangeefster was heel duidelijk aan de verdachte te kennen gegeven dat zij geen contact meer met hem wilde. De rechtbank overweegt dat de verdachte ongepast heeft gehandeld door op bovengenoemde wijze contact met aangeefster te blijven zoeken. Het is zeer goed voorstelbaar dat zijn gedragingen bij aangeefster ongemakkelijke gevoelens teweeg hebben gebracht, zeker gezien de achtergrond van de verdachte (die eerder is veroordeeld voor belaging) waar aangeefster ook mee bekend was. Het vastgestelde handelen van verdachte kan echter niet als belaging worden aangemerkt, omdat de hiervoor genoemde gedragingen van de verdachte en de frequentie daarvan zoals deze in het dossier met betrekking tot de tenlastegelegde verwijten naar voren komen gedurende een periode van ruim een half jaar onvoldoende zijn om te kunnen worden aangemerkt als stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken.
2.3.2 Vrijspraak feiten 2 en 3 primair
De beschuldiging is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.
2.3.3 Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het openbaar maken van een visuele weergave van seksuele aard van aangeefster terwijl hij wist dat die openbaarmaking nadelig voor haar kon zijn. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.4.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft feit 3 subsidiair bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom wordt voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
1. Verklaring van de verdachte
2. Proces-verbaal van de politie
3. Proces-verbaal van de politie
2.3.4 Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 3 subsidiair
hij in de periode van 4 maart 2025 tot en met 29 juli 2025 in Nederland, een visuele weergave van seksuele aard, te weten van een persoon, te weten [slachtoffer] , waarop te zien is dat die [slachtoffer] schaars gekleed is, openbaar heeft gemaakt, terwijl verdachte wist dat die openbaarmaking nadelig voor die [slachtoffer] kon zijn.
3 Kwalificatie en strafbaarheid
3.1 Kwalificatie
Het bewezen feit:
Feit 3 subsidiair
openbaar maken van een visuele weergave van seksuele aard van een persoon, terwijl diegene weet dat die openbaarmaking nadelig voor die persoon kan zijn
3.2 Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4 Straf
4.1 Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten 1 en 3 subsidiair worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, en de TBS maatregel met voorwaarden zoals geadviseerd door de Reclassering in het rapport van 15 januari 2026 waarbij de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar moeten worden verklaard. Daarbij wordt gevorderd het contactverbod ook voor de drie kinderen van aangeefster te laten gelden. Daarnaast wordt gevorderd een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen en een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van 3 jaar met daarin een contactverbod met aangeefster en haar kinderen en een locatieverbod gelijkluidend aan de TBS voorwaarden, met per overtreding 2 weken hechtenis tot een maximum van 6 maanden en ook deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
4.2 Standpunt van de verdediging
In het geval de verdachte wordt veroordeeld voor feit 3 subsidiair dient te worden volstaan met een straf gelijk aan het voorarrest. Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen van meerdere feiten dan is het van belang dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstaf beperkt wordt gehouden zodat de verdachte zo snel mogelijk weer aan zijn toekomst kan gaan werken.
4.3 Oordeel van de rechtbank
4.3.1 Ernst en omstandigheden van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het openbaar maken van een (gedeeltelijke) naaktfoto van aangeefster, terwijl hij wist dat dit nadelig kon zijn voor haar. Dit is een ernstig strafbaar feit. Hij heeft zich bij het verspreiden daarvan ook nog eens op een denigrerende wijze uitgelaten over het slachtoffer. De psychische gevolgen voor slachtoffers, waarvan zonder toestemming dergelijke afbeeldingen openbaar worden gemaakt, kunnen ernstig en langdurig zijn. Wat de gevolgen in dit geval zijn geweest voor het slachtoffer blijkt duidelijk uit de slachtofferverklaring die namens aangeefster ter zitting is voorgedragen. Met deze gevolgen voor aangeefster heeft de verdachte geen enkele rekening gehouden. Sterker nog, hij heeft meermaals gedreigd met het openbaar maken van meer beelden van aangeefster. Weliswaar heeft verdachte op de zitting verklaard dat hij dat nooit zou doen, maar dat is uiteraard iets dat het slachtoffer niet kan weten. Integendeel, doordat verdachte beschikte over een seksueel filmpje van het slachtoffer, bestond bij haar continue de angst dat verdachte het complete filmpje – waarop zij ook herkenbaar in beeld is – openbaar zou maken, met alle gevolgen van dien.
4.3.2 Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 16 december 2025 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, begaan in de relationele sfeer.
Rapporten van deskundigen en de reclassering
In het rapport van psychiater [persoon A] van 18 december 2025 staat het volgende.
Bij de verdachte is sprake van een psychische stoornis in de vorm van een stoornis in de impulsbeheersing. Daarnaast zijn er antisociale en narcistische persoonlijkheidskenmerken, maar kan een persoonlijkheidsstoornis op basis van het onderzoek niet worden vastgesteld.
Er is een hoog risico op een terugval van belaging en geweld. Een behandeling gericht op de gedragsproblematiek is nodig. De verdachte geeft aan gemotiveerd te zijn voor behandeling maar twee eerdere behandelingen in het kader van een voorwaardelijk strafdeel hebben niet tot gedragsverandering geleid. Vanwege het hoge recidivegevaar, het gevaar op geweld en het niet effectief zijn van de eerdere interventies is het advies om TBS met voorwaarden op te leggen. Dit kader zorgt ervoor dat hij wordt behandeld en biedt weinig ruimte voor weerstand tegen gedragsverandering. Daarnaast wordt geadviseerd om bij bewezenverklaring tevens een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) op te leggen, zodat het toezicht indien nodig ook na het aflopen van de maatregel TBS kan worden voortgezet.
Psycholoog [persoon B] komt in het rapport van 12 december 2025 tot dezelfde diagnose als de psychiater.
In het rapport van Reclassering Nederland van 15 januari 2026 staat het volgende.
De verdachte beschikt over vaste woonruimte en werk. Hij heeft een zoon, met wiens moeder hij een goede verstandhouding onderhoudt. De verdachte heeft moeite met het loslaten van relationele dynamieken en heeft de neiging om zijn eigen problematiek te bagatelliseren. Eerdere ambulante behandeltrajecten hebben vooralsnog niet geleid tot een duurzame gedragsverandering. Daarnaast is slechts beperkt inzicht zichtbaar in zijn eigen handelen en is er sprake van een delictpatroon, wat aandachtspunten geeft voor verdere begeleiding en interventie. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. De reclassering adviseert positief over TBS met voorwaarden en kan daarop het toezicht uitoefenen. Verdachte heeft zich bereid verklaard tot medewerking aan deze voorwaarden. Daarnaast wordt geadviseerd een GVM op te leggen.
4.3.3 Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Daarom wordt een gevangenisstraf van 190 dagen opgelegd.
Omdat de verdachte wordt vrijgesproken van de onder 1 ten laste gelegde belaging bestaat (juridisch) niet de mogelijkheid om de adviezen van de deskundigen te volgen en de maatregel van TBS met voorwaarden en een GVM op te leggen. Uit de rapportages komt duidelijk naar voren dat het noodzakelijk is dat de verdachte (wederom) een ambulante behandeling zal volgen voor de vastgestelde problematiek die ook in het bewezen verklaarde feit tot uiting is gekomen. De rechtbank kan goed volgen wat de deskundigen daarover hebben opgeschreven. Gelet op de bewezenverklaring (en de vrijspraken voor de feiten 1, 2 en 3 primair) ziet de rechtbank echter geen ruimte om naast de onvoorwaardelijke gevangenisstraf een voorwaardelijk deel op te leggen.
Vrijheidsbeperkende maatregel (38v Wetboek van Strafrecht)
Om strafbare feiten te voorkomen, wordt een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd voor de duur van 3 jaar. Deze maatregel houdt in: een contactverbod met aangeefster [slachtoffer] .
Voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet, kan vervangende hechtenis worden toegepast van 2 weken, met een totale duur van maximaal zes maanden. De hechtenis heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.
De rechtbank verklaart de maatregel dadelijk uitvoerbaar, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte zich opnieuw belastend zal gedragen ten aanzien van aangeefster. Dit betekent dat de maatregel ook geldt als de verdachte in hoger beroep gaat.
Door de officier van justitie is verzocht tevens een locatieverbod op te leggen en het contactverbod ook te laten gelden ten aanzien van de kinderen van aangeefster. Nu de verdachte wordt vrijgesproken van de belaging acht de rechtbank het te verstrekkend om naast het contactverbod ook een locatieverbod op te leggen. Voorts is niet gebleken dat de verdachte in het verleden op zodanige wijze contact heeft proberen op te nemen met de kinderen van aangeefster dat dit een contactverbod ten aanzien van hen rechtvaardigt.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.
5 Vordering van de benadeelde partij
5.1 Vordering [benadeelde]
heeft als benadeelde partij voor alle feiten € 9.354,84 als vergoeding voor materiële schade en € 6.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
5.2 Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van
€ 7.854,84, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
5.3 Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering, omdat de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Subsidiair is aangevoerd dat bij een gedeeltelijke vrijspraak van feit 1 en/of 2 de grondslag van een deel van de gevorderde schade vervalt. Voorts wordt de vordering op meerdere grondslagen betwist. Ten aanzien van de immateriële schade is aangevoerd dat deze bij bewezenverklaring van de belaging dient te worden gematigd.
5.4 Oordeel van de rechtbank
5.4.1 Materiële schade
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering, omdat het rechtstreekse verband tussen de gevorderde materiële schade en het bewezen verklaarde strafbare feit onvoldoende is komen vast te staan.
5.4.2 Immateriële schade
Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin het recht bestaat op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. De rechtbank begrijpt de vordering van de benadeelde partij zo, dat zij een beroep doet op de in het voornoemde wetsartikel genoemde ‘aantasting in de persoon op andere wijze’. Daarvan is in ieder geval sprake indien iemand geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept moet voldoende concrete gegevens aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Door de benadeelde partij is aangevoerd en onderbouwd dat sprake is van geestelijk letsel als gevolg van de ten laste gelegde feiten. Nu de verdachte wordt vrijgesproken van de belaging kan niet zonder meer gesteld worden dat het geestelijk letsel ook een gevolg is van het bewezen verklaarde feit. De rechtbank is echter van oordeel dat gezien de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat hier wel sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze, zoals bedoeld in art. 6:106 BW. Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 750,-.
5.4.3 Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 8 juni 2025.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij deels wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.
Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 7 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
6 Vordering tot tenuitvoerlegging
6.1 Vordering
De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 180 dagen, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.
6.2 Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen.
6.3 Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de proeftijd te verlengen.
6.4 Oordeel van de rechtbank
Het nu bewezen feit is tijdens de proeftijd gepleegd. Door het plegen van het feit heeft de verdachte zich niet gehouden aan de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen.
Daarom is de vordering in beginsel toewijsbaar. De rechtbank beslist echter dat de tenuitvoerlegging van de vordering (deels) wordt toegewezen tot 60 dagen. Ten aanzien van de resterende 120 dagen van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf wordt de proeftijd verlengd met één jaar. Daardoor zullen ook de aan deze voorwaardelijke straf verbonden bijzondere voorwaarden (waaronder een behandelverplichting) langer blijven gelden.
7 Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 38v, 38w en 254ba van het Wetboek van Strafrecht.
8 Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3 primair heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit 3 subsidiair, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 190 dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Vrijheidsbeperkende maatregel (art. 38v Sr)
legt de verdachte voor feit 3 subsidiair op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 3 jaar, inhoudende dat de verdachte:
op geen enkele wijze direct of indirect contact zoekt of heeft met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1981, gedurende 3 jaar na de datum van dit vonnis,
bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 2 weken, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;
beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk is aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf;
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 10/045718-22)
beveelt de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke straf voor het deel van 60 dagen, zoals opgelegd in het vonnis van 31 oktober 2022;
verlengt voor het resterende deel van 120 dagen van de bij vonnis van 31 oktober 2022 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf de proeftijd met 1 jaar;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde] te betalen een bedrag van
€ 750,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf
8 juni 2025 tot de dag van volledige betaling.
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;
bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 3 subsidiair de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij
[benadeelde] aan de staat € 750,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 8 juni 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 7 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
9 Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. H.J. de Kraker, voorzitter,
en mrs. N. van Esch en J.C. Oord, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.S. Beukema, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 2 februari 2026.