Rb. Rotterdam 8 augustus 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9650
Artikel 96 Rv-procedure. Vraag of de Wet Bpf 2000 en daarop gebaseerde Verplichtstellingsbesluit bijzonder dwingend recht zijn in de zin van artikel 9 lid 1 Rome I-Vo. Het gaat om zeevarenden met de Letse nationaliteit, op wiens arbeidsovereenkomst het objectief toepasselijke recht Lets recht is. Zij varen gedurende bepaalde periodes op zeeschepen die onder Nederlandse vlag varen. De kantonrechter oordeelt dat de Wet Bpf 2000 en het Verplichtstellingsbesluit geen bijzonder dwingend recht zijn in de zin van artikel 9 Rome I-Vo. Uit het Laval-arrest volgt dat het niet is toegestaan om arbeidsvoorwaarden vast te stellen die verder gaan dan de harde kernbepalingen uit de Detacheringsrichtlijn omdat dit strijd oplevert met het vrij verker van diensten. Aanvullend pensioen valt niet onder de harde kernbepalingen. Ook niet gebleken dat de Nederlandse wetgever de Wet Bpf 2000 en het Verplichtstellingsbesluit van zodanig fundamenteel belang acht dat deze ongeacht de rechtskeuze van partijen van toepassing zijn. Nederlandse fundamentele, dwingende belangen van sociaal-economische aard met betrekking tot markt voor tweede-pijlerpensoen worden onvoldoende geraakt als buitenlandse werknemers niet verplicht zijn in Nederland aanvullend pensioen op te bouwen. Tot slot geen ruimte voor een uitzondering als bedoeld in overweging 37 van de Preambule van Rome I-Vo omdat de desbetreffende werknemers in Letland al aanvullend pensioen opbouwen. Tot slot volgt kwalificatie als bijzonder dwingend recht niet uit het VN-Zeerechtverdrag en/of ILO-Verdrag nr. 71.
De uitspraak op rechtspraak.nl