Rb. Rotterdam 1 augustus 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9642
Huur woonruimte. Gehuurde bevond zich bij einde huur niet in dezelfde staat als bij aanvang huur. Huurder mag bewijzen dat schimmelvorming niet aan hem toerekenbaar is (art. 7:218 lid 2 BW) en dat hij onverwijld melding heeft gemaakt van dit gebrek (art. 7:222 BW). Ontbreken van voor- en eindinspectie komt voor rekening van huurder, omdat hij initiatief moest nemen voor een afspraak en moet zorgen voor een redelijke beschikbaarheid.
De uitspraak op rechtspraak.nl