Rb. Rotterdam 31 maart 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:4045

Wrakingskamer. Het wrakingsverzoek wordt deels niet-ontvankelijk verklaard, omdat het wrakingsverzoek van verzoeker dateert van bijna twee maanden ná de mondelinge behandeling in de hoofdzaak van 12 december 2024 en daarmee zijn de wrakingsgronden die betrekking hebben op die mondelinge behandeling te laat aangevoerd. Het wrakingsverzoek wordt voor het overige afgewezen, omdat geen sprake is van een zwaarwegende aanwijzing voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de meervoudige kamer tegenover hem een vooringenomenheid koestert – objectief – gerechtvaardigd is.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken