Rb. Rotterdam 12 november 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:13165
IPR. Vanwege het oorspronkelijke huwelijksvermogensregime van partijen naar Turks recht (zonder huwelijksgemeenschap), valt de gemeenschappelijke woning onder een eenvoudige gemeenschap tussen partijen naar Nederlands recht, en niet onder de later tussen partijen ontstane huwelijksgemeenschap naar Nederlands recht. Vervolgens is Nederlands recht van toepassing op de vordering van de man. De man vordert vergoeding van door hem betaalde lasten verbonden aan de gemeenschappelijke woning over periode dat alleen de vrouw in de woning woonde na ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Toewijzing ca. de helft van de vordering als vergoedingsrechten op grond van art. 6:10 BW, art. 253 lid 3 Gemeentewet en art. 3:166 lid 3 BW. De man komt voor het overige geen gebruiksvergoeding toe op grond van art. 3:169 BW.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 99 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 233 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 237 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 1:94 BW1
- Artikel 6:2 BW6
- Artikel 6:8 BW6
- Artikel 6:10 BW6
- Artikel 3:166 BW3
- Artikel 3:169 BW3
- Artikel 3:172 BW3
- Artikel 253 Gemw
- Artikel 10:127 BW10