Rb. Rotterdam 24 september 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:9494
De ACM heeft drie online reisbureaus lasten onder dwangsom opgelegd en heeft besloten die lasten te publiceren. Volgens de ACM maken de reusbureaus zich schuldig aan oneerlijke handlespraktijken door bij pakketreizen op de startprijzen een vanafprijs te vermelden die nog tijdens het boekingsproces opwaarts of neerwaarts kan wijzigen. De voorzieningenrechter begrijpt de toelichting van verzoeksters zo dat het verschil tussen de eerst getoonde vanafprijs en de prijs die na de prijscheck wordt getoond, wordt veroorzaakt door wijzigingen in de beschikbaarheid of de prijzen van de reiselementen die door de leveranciers van verzoeksters worden aangeboden. De eerst getoonde vanafprijs was op het moment dat de pakketreis op de website werd geplaatst juist en actueel, maar door wijzigingen in beschikbaarheid en door dynamic of fluid pricing door de leveranciers van de reiselementen, is deze prijs achterhaald. Met verzoeksters is de voorzieningenrechter van oordeel dat de ACM het geciteerde gedeelte van de Richtsnoeren inzake de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken van de Europese Commissie verkeerd uitlegt. Onmiskenbaar heeft de Commissie daar de situatie voor ogen dat de prijs tijdens het boekingsproces wijzigt omdat prijsveranderingen het gevolg zijn van de dynamische aard van de markt, waarop het onlinereisbureau geen invloed heeft. Als remedie wijst de Commissie hier op het bij het adverteren van prijzen duidelijk maken aan de consument van de kans op plotselinge prijsveranderingen. Ook in uitspraken van de Reclame Code Commissie en het College van beroep wordt expliciet onderkend dat in de reissector sprake kan zijn van plotselinge prijsveranderingen. Verder zal bij de vraag of sprake is van oneerlijke handelspraktijken in de zin van artikel 6:193d, tweede lid, in verbinding met artikel 6:193e, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 6:193f, aanhef en onder c, en artikel 7:502, eerste lid, onder c, van het BW ook steeds – anders dan bij handelspraktijken als bedoeld in artikel 6:193g van het BW – de vraag opgeworpen kunnen (en moeten) worden of door een omissie de gemiddelde consument een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had genomen (vgl. ECLI:NL:CBB:2015:285, punten 7.3 en 7.6). Verzoeksters hebben op basis van eigen empirisch onderzoek betwist dat sprake is van een omissie waardoor de gemiddelde consument een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had genomen. Gelet op de uitkomsten van dit onderzoek is er ook de nodige twijfel of de gemiddelde consument op het verkeerde been wordt gezet. Zowel de lasten als de openbaarmakingsbesluiten worden geschorst.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 6:193a BW6
- Artikel 6:193d BW6
- Artikel 6:193e BW6
- Artikel 6:193f BW6
- Artikel 6:193g BW6
- Artikel 6:193j BW6
- Artikel 6:163c BW6
- Artikel 7:500 BW7
- Artikel 7:502 BW7
- Artikel 8:29 Awb
- Artikel 1.1 Wet handhaving consumentenbescherming
- Artikel 2.2 Wet handhaving consumentenbescherming
- Artikel 2.9 Wet handhaving consumentenbescherming
- Artikel 8.8 Wet handhaving consumentenbescherming
- Artikel 12u Instellingswet Autoriteit Consument en Markt
Aangehaalde uitspraken
- CBb 28 maart 2023, ECLI:NL:CBB:2023:158
- Rb. Rotterdam 2 augustus 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:7513
- Rb. Den Haag 30 mei 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:6310
- CBb 25 augustus 2015, ECLI:NL:CBB:2015:285
- Hof Den Haag 23 december 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:4112
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2011:299
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2015:11
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2015:692
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2016:800
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2016:840