Rb. Rotterdam 2 februari 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:762
Bevoegdheid pachtkamer; artikel 1019j, aanhef en onder a Rv; De vraag of verwijzing nodig is, wordt beoordeeld aan de hand van een voorlopig oordeel over het onderwerp van het geschil (artikel 71 lid 3 Rv.). De pachtkamer moet dus (voorlopig) beoordelen of sprake is van een pachtovereenkomst als bedoeld in artikel 7:311 BW. Voor de vraag of er sprake is van een pachtovereenkomst of niet, wordt verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2034) waaruit volgt dat als de inhoud van een overeenkomst voldoet aan de omschrijving van artikel 7:311 BW, de overeenkomst moet worden aangemerkt als een pachtovereenkomst. Deze vraag naar de kwalificatie van een overeenkomst moet worden onderscheiden van de daaraan voorafgaande vraag welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Die voorafgaande vraag dient te worden beantwoord aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Nadat met behulp van die maatstaf de inhoud van de overeenkomst is vastgesteld (uitleg), kan worden beoordeeld of die overeenkomst de kenmerken heeft van een pachtovereenkomst (kwalificatie), aldus de Hoge Raad. Voor de uitleg van wat partijen (destijds) hebben afgesproken komt het aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en wat zij redelijkerwijs van elkaar over en weer mochten verwachten. Hierbij komt betekenis toe aan alle omstandigheden van het geval, waaronder de wijze waarop partijen zich hebben gedragen in de uitvoeringsfase van de overeenkomst. Aan eiser is een stuk land (een onroerende zaak) tegen een vergoeding (tegenprestatie) in gebruik wordt verstrekt ter uitoefening van akkerbouw, zodoende is voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 7:311 BW. Dat de onroerende zaak wordt verstrekt ter uitoefening van landbouw is het onderscheidende criterium met huur. De vraag of dit bedrijfsmatig gebeurde, hoeft, anders dan gedaagde betoogt, niet in incident te worden beoordeeld nu het gebruik van het gepachte niet doorslaggevend is voor de vraag of sprake is van pacht. Als een pachter geen bedrijfsmatige landbouw bedrijft, schendt hij de verplichtingen van artikel 7:347 BW, maar dat doet aan de kwalificatie van de overeenkomst niet af. Hetzelfde geldt voor de vraag of er sprake is van een langlopende overeenkomst of overeenkomsten voor kortere duur. Het oordeel luidt dan ook dat er sprake is van een pachtovereenkomst.
De uitspraak op rechtspraak.nl