Rb. Rotterdam 27 juni 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:5920
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging zware mishandeling van zijn zoon door hem te slaan met een houten kleerhanger. Het slaan vond plaats gedurende een langere periode en had een stelselmatig karakter. Niet alleen fysiek aantoonbaar letsel, maar ook de onaangename verandering in de innerlijke gezondheid kan bij de beoordeling worden betrokken. Naar de uiterlijke verschijningsvorm heeft de verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bewust aanvaard. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn andere zoon door hem te slaan. De verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 150 uur. Daarnaast wordt aan beide zoons een schadevergoeding toegekend van € 2.500,-. Voor een deel van de ten laste gelegde feiten is het recht tot strafvordering vervallen door verjaring. De officier van justitie is met betrekking tot die feiten niet-ontvankelijk. Voor kindermishandeling, zoals in deze zaak ten laste is gelegd, geldt op grond van het bepaalde onder sub 3 van artikel 71 Sr dat de verjaringstermijn aanvangt op de dag nadat het slachtoffer achttien jaren is geworden. Deze bepaling is op 1 januari 2020 in werking getreden, maar is niet van toepassing op feiten die vóór 1 januari 2020 al waren verjaard. Die feiten blijven verjaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl