Rb. Rotterdam 25 januari 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:410

Kort geding. Uitsluitend gebruik woning. Er is sprake van een leemte in de wet. Partijen die wel getrouwd zijn of een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, kunnen een voorlopige voorziening bij de familierechter verzoeken. In die procedure hoeft geen rechtsgrond te worden genoemd, maar wordt op basis van een belangenafweging geoordeeld welke partij in het kader van die voorlopige voorziening het meeste belang heeft bij (een voortgezet verblijf in) de woning. Partijen die een samenlevingsovereenkomst hebben gesloten, kunnen bij de gewone civiele rechter terecht, met hun overeenkomst als grondslag voor vorderingen. Het staat mensen echter vrij om hun relatie niet te formaliseren. Dat verplicht samenwoners om een ordemaatregel aan de voorzieningenrechter te vragen. Nu er materieel geen onderscheid tussen uit elkaar gaande samenwoners enerzijds en uit elkaar gaande gehuwden, geregistreerd partners en samenwonenden met een overeenkomst anderzijds bestaat en te rechtvaardigen is, acht de voorzieningenrechter het aangewezen – maar ook redelijk en billijk – om in deze procedure eenzelfde belangenafweging te maken als de familierechter zou maken. De belangenafweging valt in het voordeel uit van de vrouw.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen