Rb. Rotterdam 25 april 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:3747
De minister heeft verzoekster gelast een melding te doen als bedoeld in artikel 11 Wet veiligheidstoets investeringen fusies en overnames (Wet vifo) aangaande een verwervingstransactie in het verleden. Indien in de hoofzaak zou worden vastgesteld dat door de minister onterecht een melding is gelast, kan verzoekster een schadeclaim indienen bij de minister. Voorts zal daarmee de grondslag aan een eventueel toetsingsbesluit komen te ontvallen. Bovendien staan tegen een eventueel toetsingsbesluit ook rechtsmiddelen open, waaronder de mogelijkheid om een voorlopige voorziening te vragen. Onder die omstandigheden kan er slechts enig spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81 lid 1 Awb worden aangenomen als de voorzieningenrechter zonder nader onderzoek kan vaststellen dat de minister evident niet bevoegd is een melding te gelasten en het doen van de melding reeds daarom te belastend is voor verzoekster. Verzoekster wijst er terecht op dat het redelijk vermoeden in artikel 58 lid 1 Wet vifo geen betrekking heeft op de vraag of een transactie onder de reikwijdte van die wet valt. Die vraag moet beantwoord worden voordat het doen van een melding gelast wordt en kan dus niet worden ‘doorgeschoven’ naar de fase nadat de melding is gedaan. Gezien de door verzoekster in deze procedure overgelegde stukken en de daarop gegeven toelichting is voor de voorzieningenrechter duidelijk dat er bij de transactie geen stemrechten zijn overgedragen. De minister was naar het oordeel van de voorzieningenrechter daarom niet bevoegd om een melding te gelasten. Het verzoek zal daarom worden toegewezen en de bestreden besluiten zullen worden geschorst.
De uitspraak op rechtspraak.nl