Rb. Rotterdam 20 maart 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:2922
Voogdij en ouderlijk gezag. Na het overlijden van de moeder verzoekt stiefvader het gezag dan wel de voogdij over alle vier de minderjarigen. De raad verzoekt uiteindelijk de GI tot voogd te benoemen over de oudste twee minderjarigen en oma (mz) over de jongste twee. Kwalificeert stiefvader als ‘overlevende ouder’ in de zin van artikel 1:253g BW? Of moet het verzoek tot gezag dan wel voogdij worden gegrond op art. 1:295 jo. 1:299 BW?
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 20 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 25 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 278 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 283 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 1:198 BW1
- Artikel 1:199 BW1
- Artikel 1:241 BW1
- Artikel 1:244 BW1
- Artikel 1:253g BW1
- Artikel 1:280 BW1
- Artikel 1:295 BW1
- Artikel 1:299 BW1
- Artikel 1:306a BW1
- Artikel 8 EVRM