Rb. Rotterdam 12 juli 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:6446

Vonnis in (deels) gevoegde hoofdzaken en vrijwaringszaken. Deze zaken gaan over (een variant op) CEO-fraude. gedaagde partij heeft als administrateur betalingen van de bankrekening van Prisma verricht op grond van door haar ontvangen – naar achteraf is gebleken vervalste – e-mails en documentatie. Niet Prisma maar een onbekende derde heeft dus aan gedaagde partij opdracht gegeven om deze betalingen uit te voeren. Prisma stelt gedaagde partij en ABN AMRO aansprakelijk voor de als gevolg daarvan geleden schade. De inhoud van het tussen gedaagde partij en Prisma geldende exoneratiebeding brengt mee dat gedaagde partij jegens Prisma niet aansprakelijk is voor de door Prisma gevorderde schade, nu de uitkomst van de vrijwaringszaak van gedaagde partij tegen Markel is dat Markel geen dekking hoeft te bieden voor de schade die Prisma van gedaagde partij vordert. Ook de vordering van Prisma tegen ABN Amro wordt afgewezen, nu niet kan worden geoordeeld dat ABN Amro toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de verbintenissen voortvloeiend uit het kredietarrangement, er geen sprake is van schending van de (bijzondere) zorgplicht van ABN Amro en ook het beroep van Prisma op artikel 7:528 BW niet slaagt. De afwijzing van de vorderingen van Prisma tegen gedaagde partij betekent dat de vorderingen in de vrijwaringszaak van gedaagde partij tegen MRP niet voor toewijzing in aanmerking komen. De afwijzing van de vorderingen van Prisma tegen ABN Amro betekent dat de vorderingen in de vrijwaringszaak van ABN Amro tegen gedaagde partij niet voor toewijzing in aanmerking komen. De vorderingen van gedaagde partij tegenover Overwater zijn ingesteld voor het geval, onder meer, gedaagde partij wordt veroordeeld tot vergoeding van door Prisma gevorderde schade. Nu deze voorwaarde niet is vervuld, komen de vorderingen van gedaagde partij tegen Overwater ook niet voor toewijzing in aanmerking.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken