Rb. Rotterdam 6 juni 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:4683

Veroordeling art. 6 WVW. De verdachte heeft een fataal verkeersongeval veroorzaakt door zich zeer onvoorzichtig en onoplettend te gedragen in het verkeer. Hij heeft bij de uitvoering van zijn werk als politieman met een veel hogere snelheid gereden dan in de omstandigheden ter plaatse verantwoord was. Daardoor heeft hij het slachtoffer, dat op haar scooter de verdachte tegemoet kwam, niet tijdig gezien en is hij met haar in botsing gekomen. Het slachtoffer is daarbij om het leven gekomen. Opgelegd wordt een taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke rijontzegging van 1 jaar met een proeftijd van 2 jaren. Naast de ernst van het feit en de dramatische gevolgen daarvan voor het slachtoffer en de nabestaanden, weegt de rechtbank bij de bepaling van de strafmaat mee dat deze gebeurtenis ook voor de verdachte verstrekkende gevolgen heeft. Vorderingen van de nabestaanden (erfgenamen) van het overleden slachtoffer tot vergoeding van begrafeniskosten en materiële schade toegewezen, met wettelijke rente en proceskosten conform liquidatietarief en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Vordering van de partner van het overleden slachtoffer tot vergoeding van immateriële schade op de grondslag van affectieschade toegewezen, met wettelijke rente en proceskosten conform liquidatietarief en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige wordt hij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen