Rb. Rotterdam 19 januari 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:511

Tussenvonnis. De tussen partijen overeengekomen concerngarantie kwalificeert als een borgtochtovereenkomst in de zin van art. 7:850 BW. Gedaagde wordt niet gevolgd in haar (buitengerechtelijke) vernietiging van diverse bepalingen uit de concerngarantie en de algemene voorwaarden. Geen strijd met art. 6 EVRM en art. 47 EU Grondrechtenhandvest. Geen reflexwerking van art. 6:236 BW omdat gedaagde niet gelijk te stellen is met een consument. Tevens is het niet onredelijk dat eiseres haar eigen schade probeert zo veel mogelijk te beperken. Artikel 4 van de concerngarantie is niet in strijd met het recht en niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Evenmin is sprake van schending van de zorgplicht door eiseres en heeft zij geen misbruik van omstandigheden gemaakt. Artikel 4 van de concerngarantie heeft het karakter van een bewijsovereenkomst in de zin van art. 153 Rv. Er is geen afbouwovereenkomst tussen partijen tot stand gekomen, wel een herstelovereenkomst. Alvorens een oordeel te geven over de vraag of eiseres de herstelovereenkomst terecht heeft opgezegd, mogen partijen zich uitlaten over de vraag of de herstelovereenkomst als een aannemingsovereenkomst in de zin van art. 7:750 BW kwalificeert. Daarnaast kunnen partijen zich met het oog op het bepalen van de voor het gehele werk geldende prijs als bedoeld in art. 7:764 lid 2 BW uitlaten over de vraag welke kosten onder de herstelovereenkomst vallen. Bij eindvonnis toe te wijzen proceskosten worden ambtshalve gematigd tot het liquidatietarief. Voorts zijn diverse reconventionele vorderingen beoordeeld.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen