Rb. Rotterdam 11 mei 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:3526
Uitspraak Meervoudige Economische strafkamer. Strafrechtelijke vervolging van een rechtspersoon na arbeidsongeval. Op een bouwplaats in Den Haag heeft een dodelijk ongeval plaatsgevonden. Door een botsing van een giek van een torenkraan tegen de machinistenlift van een andere torenkraan, is deze machinistenlift losgeraakt en 60 meter naar beneden gevallen. Hierdoor is de kraanmachinist die zich in de lift bevond om het leven gekomen. De verdachte rechtspersoon (het bouwbedrijf) wordt veroordeeld voor het nalaten zich te houden aan verschillende veiligheidsvoorschriften die voortvloeien uit de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit. Er is door de verdachte rechtspersoon onder meer onvoldoende doeltreffend toezicht gehouden, er zijn onvoldoende veiligheidsmaatregelen getroffen en er is na een gewijzigde situatie nagelaten een nieuwe risicoanalyse te maken. Ook acht de rechtbank overtreding van artikel 307 Sr (dood door schuld) bewezen. Het vonnis bevat uitgebreide bewijsoverwegingen over de verschillende bestanddelen van de tenlastelegging. Aan de verdachte rechtspersoon wordt een geldboete opgelegd met een nadere overweging over de hierbij opgelegde bijzondere voorwaarde (onder meer betaling van een geldbedrag aan een stichting die is opgericht door de nabestaanden van het slachtoffer).
De uitspraak op rechtspraak.nl