Rb. Rotterdam 16 maart 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:2028

“ Naar het oordeel van de rechtbank mag verweerder bij de beantwoording van de vraag of een aanvrager op grond van het bepaalde in hoofdstuk 2 van de Verordening in aanmerking komt voor een voorrangsverklaring, de beoordeling of de aanvrager voldoet aan een voorrangsgrond achterwege laten indien de aanvrager niet voldoet aan het vereiste van maatschappelijke regiobinding en van dat vereiste niet is vrijgesteld. Immers, in dat geval komt de aanvrager zonder meer niet in aanmerking voor toekenning van een voorrangsverklaring op grond van het bepaalde in hoofdstuk 2 van de Verordening. Nu verweerder zich in het bestreden besluit echter niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd op het (impliciete) standpunt heeft gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het vereiste van maatschappelijke regiobinding (zie overweging 4.4.), kan niet worden geoordeeld dat verweerder in het bestreden besluit rechtmatig heeft afgezien van een (kenbare daadwerkelijke) beoordeling of eiseres voldoet aan een voorrangsgrond.”

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken