Rb. Rotterdam 28 december 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:11732
Geschil tussen ziektekostenverzekeraars en zelfstandige kliniek over DBC-code bij een bepaalde behandeling. Conventie. Materieel: de DBC-code die de kliniek hanteert is een code met klinische opname, terwijl daarvan in werkelijkheid geen sprake is. Op grond van onrechtmatige daad moet de kliniek de verzekeraars het verschil in uitbetaling tussen de juiste code (niet-klinisch, niet-topreferent) en de gehanteerde code als schade vergoeden. Verder: deel akte van de kliniek buiten beschouwing gelaten omdat de kliniek in strijd met de instructie van de rechter heeft gehandeld. De vordering van de verzekeraars is niet verjaard, omdat het handelen van de kliniek een strafbaar feit oplevert dat nog niet verjaard was ten tijde van de stuiting (3:310/4 BW). Reconventie: kliniek voldoet niet aan stelplicht ten aanzien van onrechtmatige uitlatingen van de verzekeraar. Verzekeraar is niet verplicht zorg in te kopen bij de kliniek. Vordering 21/22/843a wordt in alle vormen afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 20 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 24 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 25 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 88 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 161 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 51 Sr
- Artikel 70 Sr
- Artikel 72 Sr
- Artikel 2 WED
- Artikel 2:5 BW2
- Artikel 6:83 BW6
- Artikel 6:97 BW6
- Artikel 6:119 BW6
- Artikel 3:310 BW3
- Artikel 3:317 BW3
- Artikel 35 Wet marktordening gezondheidszorg