Rb. Rotterdam 18 augustus 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:8154

Bevoegdheidsincident civiel-kanton. Gedaagden vorderen in dit incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart en de zaak verwijst naar de kantonrechter omdat de zaak een aardvordering betreft en de kantonrechter op grond van artikel 93 aanheft en onderdeel c Rv. bevoegd is kennis te nemen van zaken die verband houden met een arbeidsovereenkomst. Daarnaast stellen gedaagden dat de vordering is gebaseerd op artikel 12 lid 6 van de Rijksoctrooiwet (ROW). Op grond van artikel 83 lid 2 ROW dient de hoofdvordering te worden aangemerkt als een vordering gebaseerd op een arbeidsovereenkomst. Rechtsvorderingen die gegrond zijn op artikel 12 lid 6 ROW moeten worden aangemerkt als vorderingen met betrekking tot een arbeidsovereenkomst. De rechtbank overweegt dat het doen van een uitvinding niet behoort tot het takenpakket als werknemer. De ontwikkeling van producten zoals beschreven in de arbeidsovereenkomst behelst niet het doen van uitvindingen. Het geschil over de afspraken met betrekking tot de vergoeding per verkochte meter van het uitgevonden product kan niet gekwalificeerd worden als een geschil dat betrekking heeft op de arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 12 lid 6 ROW, gelezen in verbinding met artikel 83 lid 3 ROW. De kantonrechter komt geen bevoegdheid toe.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen