Rb. Rotterdam 18 augustus 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:8152
Erfrecht. Moeder heeft in haar testament twee van haar vier dochters tot haar erfgenaam benoemd. De twee onterfde dochters hebben aanspraak gemaakt op hun legitieme portie in de nalatenschap van moeder. Doordat de nalatenschap negatief is, hebben zij gebruik gemaakt van hun recht op inkorting van door de erfgenamen ontvangen giften (art. 4:89 BW). De rechtbank stelt de legitieme porties van de twee onterfde dochters vast en veroordeelt de twee erfgenamen om op grond van inkorting van hun giften de legitieme porties aan de twee onterfde dochters te betalen. De door de twee onterfde dochters gevorderde vaderlijke erfdelen worden wel afgewezen, omdat het recht op inkorting alleen ziet op de legitieme portie en zij de twee erfgenamen door de beneficiaire aanvaarding niet in privé kunnen aanspreken op de betaling van hun vaderlijke erfdelen.
De uitspraak op rechtspraak.nl