Rb. Rotterdam 30 juni 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:6459
Betoog dat de brieven van 13 september 2019 geen invorderingsbesluiten zijn, slaagt niet. Het primaire boetebesluit van 7 november 2013 is een besluit als bedoeld in artikel 4:86, eerste lid, van de Awb. De invorderbaarheid van de boetes is ontstaan met de uitspraak van het CBb op 20 augustus 2019 (waarmee de boetes onherroepelijk zijn komen vast te staan) en bestaat ook zonder de brieven van 13 september 2019. Met deze brieven geeft ACM enkel uitvoering aan de uitspraak van het CBb, de brieven brengen - behoudens voor zover zij zien op (de berekening van) de wettelijke rente - geen wijziging in de rechtspositie van eisers. De brieven van 13 september 2019 zijn in zoverre dan ook niet op rechtsgevolg gericht en daarmee geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden voor zover die niet zien op de wettelijke rente, komt de rechtbank dan ook niet toe. Verder overweegt de rechtbank dat ACM heeft aangegeven uit coulance af te zien van haar aanspraak op wettelijke rente over de opgelegde boetes aan de feitelijk leidinggevers. Er is dus geen reden voor een gegrondverklaring van het bezwaar en dus evenmin voor een vergoeding in de proceskosten.
De uitspraak op rechtspraak.nl