Rb. Rotterdam 30 juni 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:6458
Betoog dat de brieven van 13 september 2019 geen invorderingsbesluiten zijn, slaagt niet. Het primaire boetebesluit van 7 november 2013 is een besluit als bedoeld in artikel 4:86, eerste lid, van de Awb. De invorderbaarheid van de boetes is ontstaan met de uitspraak van het CBb op 20 augustus 2019 (waarmee de boetes onherroepelijk zijn komen vast te staan) en bestaat ook zonder de brieven van 13 september 2019. Met deze brieven geeft ACM enkel uitvoering aan de uitspraak van het CBb, de brieven brengen - behoudens voor zover zij zien op (de berekening van) de wettelijke rente - geen wijziging in de rechtspositie van eisers. De brieven van 13 september 2019 zijn in zoverre dan ook niet op rechtsgevolg gericht en daarmee geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Tegen dit onderdeel (onderdeel I) kunnen daarom geen rechtsmiddelen worden aangewend. ACM had de bezwaren van eisers op dit punt dan ook niet-ontvankelijk dienen te verklaren. Aan een inhoudelijke beoordeling over de beroepsgronden komt de rechtbank dan ook niet toe. Wat betreft de wettelijke rente hebben eisers in beroep alleen aangevoerd dat een ongegrondverklaring van haar bezwaren tegen de wettelijke rente niet valt te rijmen met het door ACM afzien van de wettelijke rente. De rechtbank volgt dat betoog niet nu ACM heeft aangegeven uit coulance af te zien van de wettelijke rente.
De uitspraak op rechtspraak.nl