Rb. Rotterdam 19 mei 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:4807

Eindvonnis. Verzoek om terug te komen op bindende eindbeslissing in het tussenvonnis (ECLI:NL:RBROT:2020:13220). Daar is geen plaats voor. De eindbeslissing berust niet op een onjuiste feitelijke grondslag. Hoewel partijen ontbinding van de overeenkomst hebben uitgesloten, slaagt het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW). Lening is opeisbaar, nu geen sprake meer is van achterstelling. Subsidiaire vordering wordt toegewezen. In reconventie: bij de advisering en begeleiding van de aankoop van de aandelen is niet de zorg van goed opdrachtnemer in acht genomen. Nu echter niet duidelijk is hoe dat heeft geleid tot schade in het vermogen van de aandeelhouder, is de vordering niet toewijsbaar. ZIE OOK ECLI:NL:RBROT:2020:13220

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen