Rb. Rotterdam 14 april 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:3040

Schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het verstekvonnis gevorderd in een art. 223 Rv-incident (voorlopige voorziening) in de verzetprocedure. Criteria voor toewijzing van deze incidentele vordering; belangenafweging. Afwijzing van deze incidentele vordering. In de aan dit incident voorafgegane verzetdagvaarding is alleen een onbevoegdheidsverweer gevoerd en nog geen verweer ten gronde. (Dit beroep op de onbevoegdheid van de rechtbank is vervolgens ingetrokken.) Verwijzing van de zaak naar de rol voor conclusie van antwoord van gedaagden/opposanten. De rechtbank overweegt in dat verband nog als volgt: “Aan het eind van deze conclusie van antwoord dienen [gedaagden/opposanten] te concluderen tot hetgeen reeds is vermeld in het petitum van hun verzetdagvaarding (met uitzondering van de onbevoegdverklaring). Het gaat hier immers nog steeds om een verzetprocedure, niet om een ‘gewone’ contradictoire bodemzaak."

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken