Rb. Rotterdam 17 november 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:11225

Overeenkomst tot goederenvervoer over de binnenwateren. Vervoer van betonnen brugliggers met een ponton, dat de vervoerder heeft gehuurd (rompbevrachting). Tijdens het vervoer van de laatste vijf brugliggers op 1 mei 2015 is het ponton onder het gewicht van de brugliggers geknikt, met schade aan vier van de vijf brugliggers en het ponton tot gevolg. Hoofdzaak en vrijwaringszaak. In de hoofdzaak vorderen de verzekeraars van de opdrachtgever tot het vervoer schadevergoeding van de vervoerder. Diverse verweren van de vervoerder. Regresverbodverweer faalt. Artt. 7:962, 7:963 en 7:946 lid 1 BW. In de vervoerovereenkomst is een verzekeringsclausule opgenomen die – zakelijk weergegeven – de opdrachtgever verplicht een verzekering af te sluiten ten behoeve van de vervoerder. Dit beding heeft weliswaar de strekking maar niet de werking van een exoneratiebeding. Het kan dus niet leiden tot het ontbreken van aansprakelijkheid van de vervoerder in de hoofdzaak. Op de vervoerovereenkomst zijn verder algemene voorwaarden van toepassing met daarin bepalingen waarin de aansprakelijkheid van de vervoerder is uitgesloten. Omdat het overeengekomen vervoer, zoals de vervoerder betoogt, moet worden aangemerkt als bijzonder vervoer in de zin van art. 8:902 lid 1 onder b BW, zijn die exoneratiebepalingen in de algemene voorwaarden niet nietig. De vervoerder is dus niet aansprakelijk, zodat de vordering in de hoofdzaak wordt afgewezen. De conventie in de vrijwaringszaak betreft een vordering van de vervoerder tegen de verhuurder van het ponton en een vordering van de vervoerder tegen genoemde opdrachtgever op grond van de verzekeringsclausule. Zowel de verhuurder als de opdrachtgever stelt in reconventie in de vrijwaringszaak een vordering in tegen de vervoerder. De vordering van de verhuurder (rompvervrachter) betreft de vergoeding van tijdverletschade. Vordering toegewezen, omdat de vervoerder (rompbevrachter) toerekenbaar tekort is geschoten in de rompbevrachtingsovereenkomst door na te laten voorafgaande aan het vervoer een sterkteberekening uit te voeren om te bezien of het ponton sterk genoeg was om de brugliggers mee te vervoeren. Vast is komen te staan in deze zaak dat het gebruikelijk is dat de rompbevrachter van een ponton in geval van zwaar transport een sterkteberekening laat uitvoeren, en dus niet de rompvervrachter.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen