Rb. Rotterdam 28 oktober 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:9773

Vervolg op de vonnissen in kort geding van 9 mei 2018 (ECLI:NL:RBNHO:2018:3898) en 18 november 2019 (ECLI:NL:RBROT:2019:10197). De stelling van eiser dat het vonnis van 9 mei 2018 tot stand is gekomen door onrechtmatig handelen van gedaagde vindt geen steun in de feiten. Ook is er geen grond voor opheffing van de eerder gelegde beslagen. Verder kan bij eindvonnis geen getuigenverhoor worden gelast, zodat die vordering niet toewijsbaar is. Het voeren van deze procedure geeft er geen blijk van dat de advocaat van eiser, zoals hij stelt, steeds kritisch afweegt of het voeren van een procedure gerechtvaardigd is. De suggestie van gedaagde dat de advocaat van eiser de proceskosten onverplicht kan vergoeden, is niet vreemd. Een wettelijke grondslag om de advocaat van eiser daartoe te veroordelen ontbreekt echter, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken