Rb. Rotterdam 3 november 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:9754
Op grond van artikel 1:2 lid 2 Awb kan een machtiging worden verlangd, behalve wanneer het het bestuur redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat de gemachtigde advocaat is. Dan mag in beginsel geen machtiging worden verlangd (vgl. ECLI:NL:RVS:2014:916). De gemachtigde van eiseres is echter geen advocaat, zodat verweerder een machtiging mocht verlangen. Uit vaste rechtspraak volgt verder dat wanneer wordt verzocht om een machtiging, dit met zich brengt dat de belanghebbende op dat moment in verzuim is in de zin van artikel 6:6 Awb (bijv. ECLI:NL:HR:2014:2). De geboden termijn betreft een termijn van orde, waarvoor geldt dat – mede uit een oogpunt van gelijke behandeling – van bestuursorganen niet kan worden gevergd dat zij per individueel geval nagaan of toepassing van artikel 6:6 Awb opportuun is (vgl. ECLI:NL:CRVB:2013:2879). In dit geval is na de brief van 27 november 2019 geen nieuwe hersteltermijn geboden. Daar is ook niet om verzocht door de gemachtigde. De stelling van eiseres dat verweerder nogmaals in de brief van 23 december 2019, waarbij de beslistermijn met zes weken is verdaagd, had moeten wijzen op de consequentie van het niet overleggen van een machtiging gaat daarom niet op.
De uitspraak op rechtspraak.nl