Rb. Rotterdam 28 september 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:8973
Toewijzing van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wvggz. De zorgmachtiging zal worden verleend voor de duur van twaalf maanden met ingang van vandaag. In het zorgplan is ook als gewenste duur van de zorgmachtiging een periode van twaalf maanden genoemd. Vermoedelijk heeft de officier per abuis in het verzoekschrift een termijn van zes maanden verzocht. Tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat het de voorkeur heeft om de machtiging voor de duur van twaalf maanden af te geven, omdat niet te verwachten is dat betrokkene eerder gewend zal zijn in een BW. De advocaat van betrokkene heeft geen bezwaar tegen deze langere duur maar betwijfelt of kan worden afgeweken van de verzochte duur. Op grond van artikel 6:5 Wvggz verleent de rechter een zorgmachtiging voor de duur die noodzakelijk is om het doel van verplichte zorg te realiseren. De rechtbank is daarbij niet gebonden aan de duur die door de officier van justitie is verzocht. Gelet op de verklaring van de behandelaar is de noodzakelijke duur van onderhavig verzoek twaalf maanden.
De uitspraak op rechtspraak.nl