Rb. Rotterdam 26 augustus 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:7501
De verdachte is met een medeverdachte op het ECT terrein aangetroffen in een lege container. De rechtbank stelt vast dat de verdachten op het ECT terrein waren om in opdracht van een organisatie drugs uit een container te halen. De tenlastelegging ziet echter alleen op cocaïne en het dossier bevat geen bewijs dat het inderdaad daarom en niet om andere drugs ging. Er zijn geen drugs gevonden, er is geen link met een concrete container (anders dan die waarin de verdachten zich schuil hielden) en het in het dossier opgenomen sfeerprocesverbaal vermeldt dat het bij uithalers ‘veelal om cocaïne’ gaat en dat is niet voldoende. Maatschappelijk gezien is de uitkomst van deze strafzaak onwenselijk. Indien en zolang de wetgever echter geen regeling tot stand heeft gebracht – zoals de Minister van Justitie en Veiligheid als voornemen heeft geuit – om de aanwezigheid op containerterminals passender te kunnen bestraffen dan met een boete op grond van artikel 461 van het Wetboek van Strafrecht (‘verboden toegang’), is het de taak van de rechter om binnen het bestaande wettelijke kader recht te doen. Dit leidt, bij deze tenlastelegging en met de in dit dossier vaststaande feiten en omstandigheden, tot een vrijspraak.
De uitspraak op rechtspraak.nl