Rb. Rotterdam 21 april 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:3587

Door aan eiseres opdracht te geven aan haar eigen vrachtwagens het aanvullende onderzoek als bedoeld in artikel 38, tweede lid, van Verordening 165/2014 te verrichten, was eiseres gehouden om in haar hoedanigheid van erkende werkplaats bewijs van het bestaan van een door haarzelf gepleegde overtreding te leveren. Verweerder bediende zich daarmee van de specifieke, van overheidswege erkende deskundigheid van eiseres om vast te stellen of zijn gegronde vermoeden van fraude juist was. Zoals volgt uit de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 7 mei 2019, ECLI:NL:CBB:2019:177 kan bewijs dat onder dwang geleverd wordt door degene aan wie later een bestraffende sanctie is opgelegd alleen worden gebruikt voor zover het materiaal betreft dat onafhankelijk van de wil van de betrokkene bestond. (…) De door de monteur en [medewerker] afgelegde verklaringen in het kader van het aan eiseres op grond van artikel 38, tweede lid, van Verordening 165/2014 opgedragen aanvullende onderzoek, moeten worden geacht te zijn afgelegd namens eiseres. Die verklaringen zijn in strijd met het verbod op zelfincriminatie zoals neergelegd in artikel 6 EVRM verkregen en moeten daarom van het bewijs worden uitgesloten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken