Rb. Rotterdam 18 december 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:11744

Op de zitting stond de vraag centraal of het de verdachte is geweest die het slachtoffer op 17 oktober 2018 heeft geliquideerd. In dit vonnis beantwoordt de rechtbank die vraag bevestigend. Het bewijs daarvoor bestaat - onder meer - uit (directe) verbanden tussen de verdachte en (1) de bij de liquidatie gebruikte scooter, (2) de door de schutter bij de liquidatie gedragen helm, (3) het slachtoffer en (4) het ongeval met de scooter kort na de liquidatie. Het aanvaarden en uitvoeren van een opdracht om mensen uit de weg ruimen is een van de meest ernstige vormen van strafrechtelijke betrokkenheid bij de dood van een ander. De straf die de rechtbank in dit vonnis oplegt aan de verdachte is daarom heel hoog. Omdat deze straf zo hoog is, is in dit vonnis heel uitvoerig uitgelegd wat de redenen daarvoor zijn. Daarbij is aandacht voor een wetenschappelijk onderzoek naar de hoogte van gevangenisstraffen voor moord van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Bijzonder in deze zaak is ten slotte ook dat de rechtbank heeft geworsteld met de vorderingen van de benadeelde partijen en daarvoor een oplossing had bedacht in zowel het belang van verdachte als de benadeelde partijen. Het Wetboek van Strafvordering biedt in deze zaak echter op dit moment onvoldoende ruimte voor deze oplossing, zodat de rechtbank min of meer genoodzaakt is om de vorderingen deels zelf af te doen en deels niet-ontvankelijk te verklaren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken