Rb. Rotterdam 13 november 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:10258
Aanvraag om toegang tot de maatschappelijke opvang op grond van de Wmo afgewezen. Verzoekster wordt op papier geacht zelfredzaam te zijn en opvang te kunnen krijgen in haar netwerk. Uit een brief van het wijkteam komt echter een ander beeld naar voren en blijken zorgen over de minderjarige dochter van verzoekster. Verweerder heeft het belang van de minderjarige dochter van verzoekster niet kenbaar meegewogen bij het besluit. Daarnaast bestaat er geen zicht op een spoedige wijziging in de omstandigheden van verzoekster, haar echtgenoot en de dochter, gelet op hun inkomen op bijstandsniveau en een negatieve huurdersverklaring. De voorzieningenrechter betrekt verder dat het verwijt dat verzoekster van de woningsluiting door de burgemeester kan worden gemaakt niet verder strekt dan het formele verwijt dat zij verantwoordelijk is voor wat er zich in de door haar gehuurde woning afspeelt. Gelet op de omstandigheden zal de zelfredzaamheid in dit geval niet op afzienbare termijn tot een woning leiden. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en bepaalt dat verweerder tot 6 weken na het nemen van het besluit op bezwaar maatschappelijke opvang moet bieden aan verzoekster, haar echtgenoot en haar minderjarige dochter.
De uitspraak op rechtspraak.nl