Rb. Rotterdam 12 december 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:9698

Eiseres is eigenaar van een perceel dat grenst aan een pad. Haar zuster is eigenares van een ander perceel aan dit pad. In 2000 hebben eiseres en haar zuster een (vaststellings)overeenkomst met Natuurmonumenten gesloten inzake het onderhoud door Natuurmonumenten van dit pad. In dit kort geding vordert eiseres nakoming door Natuurmonumenten, gedaagde, van de in deze overeenkomst opgenomen verbintenissen tot onderhoud van het pad. De zuster van eiseres is geen partij in dit kort geding. Er is sprake van een gezamenlijk vorderingsrecht, namelijk van eiseres en haar zuster, in de zin van artikel 6:15 lid 1 BW. De prestatie is immers ondeelbaar (art. 6:15 lid 2 BW). Op grond van art. 3:171 BW, dat derhalve van overeenkomstige toepassing is krachtens art. 6:16 BW, had eiseres in (de dagvaarding van dit) kort geding moeten vermelden dat zij haar vorderingen heeft ingesteld ten behoeve van de gemeenschap. Dat heeft zij nagelaten. Bovendien voldoet de aanmaning die zij voorafgaande aan dit kort geding heeft gestuurd aan Natuurmonumenten niet aan de vereisten voor een geldige ingebrekestelling. Natuurmonumenten is derhalve niet in verzuim geraakt. De vorderingen van eiseres worden dan ook afgewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen