Rb. Rotterdam 13 november 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:8942
Vonnis in incident strekkende tot het stellen van prejudiciele vragen aan het HvJEU. Uiteenzetting in vonnis van diverse aspecten van de prejudiciële procedure. In de hoofdzaak vordert een Italiaans dochteronderneming van haar Nederlandse moedermaatschappij (zekerheid voor) terugbetaling van door haar uitgekeerd dividend, in verband met een vordering van de Italiaanse belastingdienst op deze dochter aan belasting, rente en boetes over de jaren 2010-2013. De dochter heeft in Italië bezwaar aangetekend tegen de aanslagen 2010-2012. Nadat de Italiaanse belastingdienst het bezwaar had afgewezen heeft de belastingrechter te Milaan de aanslag over 2010 goeddeels bekrachtigd, kort gezegd omdat de moeder in Nederland zou zijn opgericht om belasting te ontgaan en de werkelijke moedermaatschappij in Zwitserland is gevestigd voor wie geen EU vrijstelling voor dividendbelasting geldt. De dochter voert als het haar bekende verweer van de moeder aan dat de moeder de aanslagen dividendbelasting en boetes niet wil vergoeden omdat deze zijn opgelegd in strijd met het Europese recht, te weten: artikel 5 van de Richtlijn 90/435/EEG betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten, zoals deze gold in 2010-2014, zijnde Richtlijn 90/435/EEG en Richtlijn 2011/96/EU (hierna: de Richtlijn) en de vrijheid van vestiging, neergelegd in artikel 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Door haar gehoudenheid tot voldoening aan het door de dochter gevorderde afhankelijk te stellen van de rechtmatigheid van de door de Italiaanse Belastingdienst opgelegde aanslagen tracht de dochter een geschil te scheppen dat alleen door het stellen van prejudiciële vragen zou kunnen worden beslecht. In deze zaak geldt evenwel vóór alles dat de rechtmatigheid van de door de Italiaanse Belastingdienst aan de dochter opgelegde aanslagen niet door de Nederlandse rechter in een procedure tussen de dochter en de moeder kan worden vastgesteld. De omstandigheid dat de moeder haar (terug-) betalingsbereidheid afhankelijk stelt van een prejudiciële beslissing van het HvJEU over die rechtmatigheid maakt dit niet anders. Het gaat niet aan met het aanhangig maken van de onderhavige procedure beslissingen van de Italiaanse rechter te omzeilen. Het door de Nederlandse rechter doen stellen van prejudiciële vragen met geen ander (kennelijk werkelijk) doel zou onder die omstandigheden als misbruik van recht kunnen worden gekwalificeerd. Daar komt bij dat het stellen van prejudiciële vragen, gelet op hetgeen in de hoofdzaak door de dochter is gesteld, naar het zich thans laat aanzien niet noodzakelijk is voor een te nemen beslissing. Ervan uitgaande dat hetgeen de dochter in de hoofdzaak aan haar vorderingen jegens de moeder (nader) ten grondslag legt in beginsel voldoende zou zijn voor toewijzing van enig deel van het gevorderde, valt nog niet zonder meer in te zien dat het voor de beoordeling van die vorderingen en de daar eventueel door de moeder tegen gevoerde verweren noodzakelijk zal zijn prejudiciële vragen voor te leggen aan het HvJEU. Voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJEU ziet de rechtbank dus geen aanleiding. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het stellen van vragen ook daarom overbodig is, omdat de jurisprudentie van het HvJEU op het relevante punt naar het gezamenlijk standpunt van partijen kristalhelder is. Dat partijen kennelijk van mening zijn dat aannemelijk is dat de Italiaanse rechter tot in hoogste instantie hier een andere visie op zal hebben dan partijen, brengt niet mee dat het op de weg van de rechtbank ligt om thans in de onderhavige procedure prejudiciële vragen aan het HvJEU te stellen. Een en ander leidt tot de conclusie dat het voorleggen van prejudiciële vragen aan het HvJEU thans niet relevant of opportuun is in de onderhavige procedure, zodat de daartoe strekkende vordering in het incident wordt afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl