Rb. Rotterdam 25 september 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:7693
Boete voor overtreding van bijlage IV, hoofdstuk V, onderdeel E, punt 2, van Verordening 999/2001 waarin - kort gezegd - staat dat het verboden is verwerkte dierlijke eiwitten (VDE) van herkauwers uit te voeren, tenzij het is verwerkt in diervoeder en afkomstig is uit een erkende inrichting en volgens Unierechtelijke regels is verpakt en geëtiketteerd. Niet in geschil is dat VDE in strijd met punt 2 zijn uitgevoerd. Wel is in geschil of eiseres deze overtreding heeft begaan. Verweerder stelt dat eiseres als medepleger van die uitvoer moet worden aangemerkt. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van 20 juli 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:315) van het CBb en overweegt dat aan de daarin genoemde vereisten voor medeplegen niet is voldaan. Verweerder baseert zijn conclusie dat sprake is van medeplegen op de bevindingen dat een pick-up order van het betreffende transport is aangetroffen in de administratie van eiseres, dat de VDE feitelijk opgeslagen lagen en geladen zijn bij eiseres en dat de heer [naam] ten tijde van de overtreding (in)direct bestuurder was van eiseres, [C] (waar de pick-up order aan was gericht) en [A] . Volgens verweerder was het bestuur van eiseres daarmee op de hoogte van de daadwerkelijke bestemming van de VDE. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze punten evenwel onvoldoende om te kunnen concluderen dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking door eiseres bij het plegen van de overtreding. De rechtbank begrijpt uit de rapporten en hetgeen door eiseres is aangevoerd dat [E] opdracht gaf voor de aan- en afvoer van zendingen VDE bij eiseres, dat voor het vervoer van VDE van eiseres richting Rotterdam [D] en [B] werden ingeschakeld en dat [C] de containers vervolgens oversloeg op binnenschepen naar de haven van Rotterdam. Dat eiseres gelet op de aanwezigheid van de pick-up order in haar administratie op de hoogte had kunnen zijn van de bestemming van de VDE maakt nog niet dat kan worden geconcludeerd dat eiseres nauw en bewust heeft samengewerkt met [C] , [B] of [E] en dat haar bijdrage aan de overtreding van voldoende gewicht is geweest. Daargelaten of in zo’n laat stadium in de procedure nog een aanvullend rapport van bevindingen mag worden ingebracht als aanvullend bewijs, kan ook uit de bevinding daarin dat de (indirect) bestuurder van eiseres en [C] dezelfde persoon is geweest, niet worden geconcludeerd dat sprake is van die nauwe en bewuste samenwerking. Ook uit de overige bevindingen in de rapporten in onderlinge samenhang bezien kan dit niet worden geconcludeerd. Verweerder heeft derhalve onvoldoende aangetoond dat sprake is van medeplegen door eiseres.
De uitspraak op rechtspraak.nl