Rb. Rotterdam 3 juli 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:5301
Bevoegdheidsincident. Internationale bevoegdheid. Internationaal wegvervoer. Vordering tegen één Nederlandse gedaagde met woonplaats binnen het rechtsgebied van de aangezochte rechter en vorderingen tegen een aantal buitenlandse gedaagden. CMR dwingendrechtelijk toepasselijk. Aan de bevoegdheidsregeling van artikel 31 CMR kan de rechtbank alleen wat betreft de vordering tegen de Nederlandse gedaagde rechtsmacht ontlenen. Partijen werpen de vraag op of de rechtbank wat betreft de vorderingen tegen de buitenlandse gedaagden bevoegdheid kan ontlenen aan artikel 8 onder 1 Brussel Ibis-Vo en artikel 6 onder 1 EVEX II (bevoegdheid in geval van pluraliteit van verweerders waarvan één woonplaats heeft in het land van de aangezochte rechter). Die samenloop-vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend.
De uitspraak op rechtspraak.nl