Rb. Rotterdam 16 mei 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:4306
De rechtbank is van oordeel dat de GI met de schriftelijke aanwijzing van 1 maart 2019 kennelijk invulling heeft gegeven aan die door de familierechter expliciet bij de GI neergelegde verantwoordelijkheid. Naar het oordeel van de rechtbank is er dus geen sprake van een onrechtmatige of disproportionele doorkruising van een eerder door de familierechter opgelegd contactverbod. (zie ook ECLI:NL:RBROT:2019:4307)