Rb. Rotterdam 10 april 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:3503

De verdachte en een medeverdachte hebben gedurende tweeëneenhalf jaar feitelijk leiding gegeven aan het door een besloten vennootschap (i.c. zorgbedrijf) valselijk opmaken van diverse formulieren en het vervolgens gebruik maken van die valse geschriften. De verdachte en de medeverdachte maakten het PGB, dat op de rekening van cliënten van het zorgbedrijf werd gestort, over naar de bankrekening van het zorgbedrijf. Zij maakten namens het zorgbedrijf valse PGB verantwoordingsformulieren, facturen en urenoverzichten op, die buiten het zicht van de cliënten werden gehouden, waardoor het zorgbedrijf nagenoeg het gehele door het zorgbedrijf aan de cliënten toegekende PGB ontving, terwijl in werkelijkheid door het zorgbedrijf geen, minder of andere zorg dan was geïndiceerd, werd verleend aan de cliënten. Het fraudebedrag is berekend op minimaal € 115.000,-. De verdachte wordt ter zake van deze PGB-fraude en het voorhanden hebben van op grond van artikel 3 van de Opiumwet verboden pillen/medicijnen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden en een beroepsverbod in de zorg voor de duur van 5 jaren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen