Rb. Rotterdam 10 april 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:2784

Vovo – Het gaat in deze zaak om een intrekking van de aan verzoeker verstrekte exploitatievergunning en Drank- en Horecawetvergunning omdat, volgens het advies van het LBB, een ernstig gevaar bestaat dat de vergunningen voor de exploitatie van de inrichting mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Niet is gebleken dat verweerder ten onrechte van het advies van het LBB is uitgegaan en een ernstig gevaar voor het plegen van strafbare feiten met de vergunningen heeft aangenomen. Wel is volgens de voorzieningenrechter het intrekken van de vergunningen in strijd met het evenredigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van de Wet bibob. De ernst en aard van de strafbare feiten rechtvaardigen namelijk niet dat de vergunningen worden ingetrokken. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen, het besluit tot intrekking van de vergunningen wordt geschorst.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken