Rb. Rotterdam 20 februari 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:1276

voorlopige voorziening over de schorsing van de toestemming voor pulskorvisserij. Het gestelde spoedeisend belang is van financiële aard. r.o. 5 Beoordeling of er sprake is van een in het oog springende onrechtmatigheid van het besluit. R.o 6.2 Hoewel twijfel kan bestaan ten aanzien van de door verweerder gestelde bevoegdheid om in aanvulling op artikel 31bis, tweede lid,van de Verordening aan het toestaan van pulskorvisserij met de [x] ook de voorwaarde te verbinden dat wordt voldaan aan de Uitvoeringsregeling zeevisserij, is de voorzieningenrechter van oordeel dat op dit punt een diepgaander onderzoek naar het relevante recht noodzakelijk is, ook vanwege de onderzoekscontext waarin de onderhavige toestemming is gegeven en waarin mogelijkerwijze meer ruimte bestaat voor door de gestelde aanvullende voorwaarde (potentieel) afwijkende regelingen tussen lidstaten waar pulskorvisserij plaatsvindt. Het zelfde geldt voor de betwisting door verzoekers van de door verweerder gestelde bevoegdheid om de genoemde voorwaarde op te leggen door met toepassing van artikel 53, zevende lid, van de Uitvoeringsregeling zeevisserij bij besluit van 30 november 2016 – waartegen, naar de voorzieningenrechter begrijpt, geen bezwaar is gemaakt – de eerder aan de toestemming verbonden voorwaarden te wijzigen, dit mede gelet op de door verzoekers aangevoerde wetsgeschiedenis en context van (de voorganger) van genoemd artikellid. Daarbij zal blijkens de door hen aangehaalde wetsgeschiedenis beoordeeld moeten worden welke voorwaarden nog kunnen gelden als voorwaarden voor deelname aan monitoring en onderzoek om vangstkarakteristieken en de impact van gewijzigde technische specificaties op ecosysteem en vangstefficiency in beeld te krijgen, in welk verband de maaswijdte niet op voorhand irrelevant lijkt. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken