Rb. Rotterdam 14 november 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:9777
De curator vordert veroordeling van de bestuurder van een failliete vennootschap tot betaling van het faillissementstekort op grond van artikel 2:248 lid 1 BW (onbehoorlijk bestuur). De jaarstukken zijn te laat gedeponeerd en daarmee staat onbehoorlijk bestuur vast. Verder geldt het wettelijke bewijsvermoeden dat het onbehoorlijk bestuur de oorzaak is van het faillissement. De bestuurder heeft dit vermoeden niet kunnen weerleggen door aannemelijk te maken dat er andere oorzaken zijn voor het faillissement en daarom wordt de vordering van de curator toegewezen. De hoogte van het faillissementstekort moet nog nader worden opgemaakt bij staat. De curator heeft verder een bestuursverbod gevorderd voor de bestuurder voor de duur van vijf jaar vanwege het onbehoorlijk bestuur en omdat de bestuurder niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen op grond van de faillissementswet. De rechtbank is van oordeel dat de bestuurder niet heeft voldaan aan zijn verplichting om de administratie aan de curator ter beschikking te stellen. Verder is de vordering inzake onbehoorlijk bestuur toegewezen. Om die reden wijst de rechtbank het bestuursverbod toe, maar voor een kortere periode dan gevorderd, te weten twee jaar.
De uitspraak op rechtspraak.nl