Rb. Rotterdam 29 oktober 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:8849
Warenwetboete aan bakkerij wegens niet volgen van HACC-beginselen. Bewaartemperatuur was te hoog. Ook de overige tekortkomingen tot handelen in overeenstemming met de module Ongekoelde Presentatie Bakkerijproducten acht de rechtbank voldoende vaststaan, omdat geen enkel bewijs van toepassing van die module is geleverd. Daarentegen heeft de vader van eiseres die tijdens de inspectie aanwezig was in de bakkerij telkens de vragen die zagen op naleving van die module ontkennend beantwoord, wat in overeenstemming is met de vaststelling door de toezichthouder van de temperatuur van de saucijzen- en frikadelbroodjes in de vitrine. De rechtbank acht in dit verband niet aannemelijk dat de vader van eiseres de desbetreffende vragen van de toezichthouder niet had begrepen. In bezwaar mocht verweerder afzien van horen, omdat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. In de rechtspraak is uitgemaakt dat de in artikel 5:44 van de Awb neergelegde “voorlegplicht” niet strekt tot bescherming van het belang van een eventuele overtreder, maar dat slechts van belang is dat een keuze wordt gemaakt of een overtreding strafrechtelijk of bestuursrechtelijk wordt afgedaan (CBb 26 oktober 2017, ECLI:NL:CBB:2017:343) en dat het bestuursrecht – ook bij gefixeerde boetes – voorziet in toegang tot een rechter met volledige bevoegdheid (CRvB 22 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:362). Het op grond van artikel 6:15 van de Awb ontbreken van schorsende werking van bezwaar en beroep maakt dit niet anders.
De uitspraak op rechtspraak.nl