Rb. Rotterdam 5 februari 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:689

Jeugdwet; Toekenning pgb voor overgangsperiode voor persoonlijke verzorging voor vier uur per week en begeleiding voor elf uur per week, door de moeder te leveren. Het onderzoek van verweerder voldoet niet aan de zorgvuldigheidseisen zoals deze door de Centrale Raad van Beroep zijn geconcretiseerd. Door verweerder is onvoldoende onderzocht of de moeder op eigen kracht de hulp aan eiser kan blijven verlenen indien daarvoor geen pgb wordt ontvangen. Verweerder heeft in beginsel gelijk door te stellen dat een pgb niet is bedoeld om het inkomen aan te vullen of om inkomensderving op te vangen, maar naar het oordeel van de rechtbank wordt dat anders indien er moet worden gekozen tussen het verlenen van jeugdhulp of het verkrijgen van een inkomen. Immers, indien het gezinsinkomen te laag is en de moeder als gevolg daarvan meer zal moeten gaan werken om in het dagelijkse levensonderhoud te kunnen blijven voorzien, is zij niet in staat eiser de zorg en begeleiding te geven die zij hem nu geeft. Verweerders standpunt dat voor de uren dat eiser op school zou moeten zijn, maar daar niet is, geen voorziening kan worden getroffen, mist een deugdelijke motivering. Gelet op het feit dat de hulpvraag bepalend is of er aanleiding bestaat om een voorziening te treffen, dient verweerder te onderzoeken in hoeverre hiervoor een voorziening is aangewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken