Rb. Rotterdam 29 mei 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:5446

De rechtbank gelast tenuit¬voerlegging van de voorwaardelijke jeugddetentie in een werkstraf. De rechtbank overweegt met betrekking tot de maatstaf die zij daarbij hanteert het volgende. Allereerst overweegt de rechtbank dat er geen aanknopingspunten zijn te vinden in de wet of de wetsgeschiedenis voor de gedachte dat bij omzetting van een voorwaardelijke jeugddetentie tevens rekening zou moeten worden gehouden met de eveneens opgelegde, onvoorwaardelijke taakstraffen van in totaal 105 uren, op de wijze als vervat in artikel 77m, 6e lid Sr. De taakstraf die na omzetting van de ten uitvoer te leggen jeugddetentie wordt gelast, is geen taakstraf die door de rechter/ de rechtbank die vonnis wees, is opgelegd. Wel geldt op voet van artikel 77dd Sr, in verband met artikel 14 g, 2e lid Sr juncto artikelen 22b tot en met 22k Sr, als maximum dat ten hoogste 240 uren werkstraf mogen worden opgelegd tegen een omgerekende vervangende hechtenis van hoogstens 2 uren per dag jeugddetentie. In dit geval is de rechtbank van oordeel dat in plaats van jeugddetentie voor de duur van zes maanden (180 dagen) een werkstraf dient te worden gelast van 180 uren, dus per dag jeugddetentie één uur werkstraf.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken