Rb. Rotterdam 16 januari 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:248

Verweerder heeft aan eiseres een boete opgelegd van € 21.600,- vanwege een overtreding van artikel 3.16, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Op 21 maart 2013 heeft een bevelvoerder van de Brandweer deelgenomen aan een door de Brandweer georganiseerde training voor brandweerpersoneel in het trainingscentrum van eiseres. Tijdens een oefening is de bevelvoerder voorover in een trapgat naar beneden gevallen op een betonnen vloer. In geschil is of eiseres als werkgever kan worden aangemerkt op grond van artikel 1, tweede lid, onder a, onder 1°, van de Arbeidsomstandighedenwet. Bepalend voor het werkgeversbegrip als bedoeld in voornoemd artikellid is het bestaan van een gezagsverhouding. Dat er tijdens een training instructies worden gegeven die dienen te worden opgevolgd, betekent naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat gesproken kan worden van een gezagsverhouding zoals bij een werkgever-werknemerrelatie. De omstandigheid dat eiseres toezicht hield op en verantwoordelijk was voor de veiligheid tijdens de training is naar het oordeel van de rechtbank daartoe evenmin voldoende. Voorts is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat de Brandweer het gezag over de bevelvoerder voor de duur van de training heeft gedelegeerd aan eiseres. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres op grond van de Arbeidsomstandighedenwet als werkgever van de bevelvoerder kan worden aangemerkt. Verweerder was daarom niet bevoegd aan eiseres een boete op te leggen. Het beroep is gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen