Rb. Rotterdam 22 maart 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:2871
Veroordeling voor bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht en een terroristisch misdrijf. Veroordeelde heeft onder andere tegen verbalisanten gezegd dat hij explosieven in zijn auto heeft, dat alle blanke Nederlanders dood moeten en dat hij mensen kent die een aanslag kunnen plegen. Ook heeft hij de verbalisanten beledigd door de verbalisanten uit te schelden en één ervan in het gezicht te spugen. Uit de wettekst, de invulling die de wetsgeschiedenis daaraan geeft en de genoemde vaste jurisprudentie wordt met betrekking tot feit 1 afgeleid dat de verdachte het opzet moet hebben gehad dat bij de verbalisanten in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat door middel van een misdrijf onder de bevolking grote vrees zou kunnen ontstaan. Voor het antwoord op de vraag of daarvan sprake is zijn niet alleen de bewoordingen op zichzelf bepalend. De woorden zullen moeten worden bezien in de context waarin deze zijn geuit. Dat kan betekenis geven aan de geloofwaardigheid van die uiting. Door aftrek conform artikel 27 Sr resteert geen te executeren straf. Ook niet indien vordering ex 14g Sr wordt toegewezen (Vgl. Hoge Raad 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:462). Dit maakt niet dat deze straf niet zou kunnen worden opgelegd.
De uitspraak op rechtspraak.nl