Rb. Rotterdam 1 maart 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:2341
Wrakingsverzoek afgewezen. Het behoort tot de taak van de rechter om naar aanleiding van de stellingen van de partijen nader onderzoek te doen en zo nodig kritische vragen te stellen. De omstandigheid dat daarbij méér vragen zijn gesteld aan verzoeker dan aan de eisende partij, levert op zichzelf geen aanwijzing van vooringenomenheid op: het komt nu eenmaal voor dat de stellingen van de ene partij soms meer toelichting behoeven dan de stellingen van de andere partij. In deze zaak heeft de rechter bovendien toegelicht waarom er meer vragen waren aan verzoeker. Die toelichting is inhoudelijk niet betwist door verzoeker. Ten aanzien van het ter comparitie van partijen aan het woord laten van een toeschouwer – een broer van verzoeker – , staat voldoende vast dat daar staande de zitting door verzoeker en zijn gemachtigde geen bezwaar tegen is gemaakt. Voorts heeft de rechter voor die gang van zaken een verklaring gegeven, die van de zijde van verzoeker verder niet is betwist en die niet onbegrijpelijk voorkomt. Een rechter dient uit hoofde van zijn professionaliteit iedere individuele zaak – strafrechtelijk of civielrechtelijk – met onbevangenheid en zonder belemmering door voorvallen in het verleden te behandelen en te beoordelen. Die professionaliteit en onpartijdigheid worden bij de rechter voorondersteld. Het enkele gegeven dat de rechter in het verleden in zijn toenmalige hoedanigheid van rechter-commissaris in de strafzaak tegen verzoeker getuigen heeft gehoord en verzoeken van de verdediging tot het horen van nog andere getuigen heeft afgewezen, levert op zichzelf geen grond op voor het oordeel dat er sprake is van partijdigheid en evenmin vormt het een omstandigheid die – objectief bezien - grond geeft te vrezen dat het bij de rechter aan onpartijdigheid ontbreekt.
De uitspraak op rechtspraak.nl