Rb. Rotterdam 27 februari 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:1483
Op grond van de onder het procesverloop vermelde uitspraak van de rechtbank van 14 maart 2016 moest verweerder een nieuw besluit nemen op de aanvraag van eiser. De rechtbank heeft voor het nemen van dit nieuwe besluit geen termijn bepaald. Nu evenwel bij die uitspraak de verordening op basis waarvan de besluitvorming had plaatsgevonden onverbindend is geoordeeld wegens strijd met artikel 36 van de Pw, de rechtbank uitdrukkelijk heeft overwogen dat verweerder een nieuw besluit niet mag baseren op die verordening en verweerder in de uitspraak van 14 maart 2016 heeft berust, kon verweerder pas een nieuw besluit nemen nadat de gemeenteraad had besloten omtrent nieuwe regelgeving De rechtbank is van oordeel dat uit artikel 36 van de Pw voortvloeit dat acht moet worden geslagen op de omstandigheden van een persoon bij de beantwoording van de vraag of deze persoon in aanmerking komt voor een individuele inkomenstoeslag, wat de gemeenteraad bij het vaststellen van de nieuwe verordening onmiskenbaar heeft gedaan. Artikel 36 van de Pw vergt niet dat deze omstandigheden opnieuw in aanmerking worden genomen bij de bepaling van de hoogte van de toeslag. Ook uit de memorie van toelichting op de Wet maatregelen Wet werk en bijstand en enkele andere wetten (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3, blz. 22), waarnaar eiser in zijn beroepschrift verwijst, volgt dit niet. De memorie van toelichting vermeldt het volgende: De rechtbank begrijpt deze passage aldus dat wordt gesproken over de toegang tot de individuele inkomenstoeslag en de toetsing die daarbij moet worden gehanteerd alsmede dat deze toetsing recht moet doen aan de individuele omstandigheden van het geval. Anders dan eiser leest de rechtbank hier niet in dat ook de hoogte van de toeslag volgens de wetgever geïndividualiseerd moet worden. Eiser heeft evenmin gewezen op een andere rechtsregel die daartoe verplicht, nog daargelaten de praktische uitvoerbaarheid van een dergelijke individualisering. Anders dan eiser betoogt, wordt in voormelde memorie van toelichting niet gesteld dat de hoogte van de toeslag moet aansluiten bij het armoedebeleid. In de toelichting wordt niet meer of anders opgemerkt dan dat de verordening in elk geval de hoogte van de toeslag en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen ‘langdurig ‘en ‘laag inkomen’ moet aangeven en dat de wetgever ervoor heeft gekozen deze criteria op gemeentelijk niveau te laten vaststellen, waardoor de gemeenteraden en colleges de mogelijkheid hebben een verband te leggen met het gemeentelijk armoede- en participatiebeleid
De uitspraak op rechtspraak.nl