Rb. Rotterdam 20 september 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:8197
Publicatievovo wegens opgelegde boete van € 600.000 wegens overtreding 2:92, eerste lid, Wft. De voorzieningenrechter volgt de AFM in het oordeel dat de overtreding van artikel 2:92, eerste lid, van de Wft, naar aard en omvang ernstig is. Dat de werkzaamheden van verzoekster materieel vergelijkbaar waren met die van een bemiddelaar en dat zij deze werkzaamheden vergunningsvrij mocht verrichten, overtuigt de voorzieningenrechter niet. Een belangrijk deel van de werkzaamheden viel niet onder de definitie ‘bemiddelen’ en bovendien heeft verzoeker niet inhoudelijk weersproken dat zij geen beroep konden doen op de vrijstellingsbepaling voor ‘bemiddelen’, omdat de derde partij niet volledig verantwoordelijk was voor de bemiddelingswerkzaamheden van verzoekster. Dat slechts een geringe aanpassing van de bedrijfsvoering volstond om een einde te maken aan de overtreding, kan verzoekster niet baten, nu deze aanpassing juridisch gezien van wezenlijk belang was. Voor wat betreft de evenredigheid van de opgelegde boete sluit de voorzieningenrechter niet uit dat verzoekster in de hoofdzaak in haar standpunt wordt gevolgd. Maar voor de voorzieningenrechter bestaat alleen aanleiding om de boete schorsen als er sprake is van een wanverhouding tussen de hoogte van de opgelegde boete en de ernst van de overtreding. Voor het oordeel dat er sprake is van een wanverhouding ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding. Er is evenmin aanleiding om publicatie van de opgelegde boete onevenredig te achten.
De uitspraak op rechtspraak.nl